Rb. Amsterdam 25 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6614
Uitgangspunt voor de beoordeling van elk civiel geschil is dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van het hetgeen partijen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd. Daartoe dient de eisende partij ingevolge het bepaalde in artikel 111, tweede lid aanhef en onder d. Rv reeds aanstonds in het exploot van de dagvaarding zijn eis en de gronden daarvan te vermelden. Eiser is daarbij op grond van het bepaalde in artikel 21 Rv verplicht de aldus aan zijn vordering ten grondslag gelegde, voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting strekt niet alleen ertoe de rechter in staat te stellen op het door partijen ter beoordeling voorgelegde geschil te beslissen, maar dient ook ertoe de wederpartij in staat te stellen zich adequaat en ter zake dienend te verdedigen. De rechter en de wederpartij mogen niet op het verkeerde been worden gezet doordat feitelijk onjuiste en/of onvolledige stellingen worden betrokken. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, aldus de tweede volzin van artikel 21 Rv. Uit het procesverloop en de daarbij door partijen over en weer telkens betrokken stellingen blijkt dat eisers, tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagden de feitelijke onderbouwing van hun vordering bij herhaling hebben moeten aanpassen en of aanvullen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat met gedaagden moet worden geoordeeld dat eisers, in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv hebben verzuimd de aan hun vordering ten grondslag gelegde, voor de beslissing van belang zijnde feiten, steeds volledig en naar waarheid aan te voeren. Bij deze stand van zaken moet de vordering van eisers, reeds bij gebreke van een voldoende draagkrachtige grondslag, worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl