Rb. Amsterdam 26 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5550
Verzoeker betoogt dat verweerder met de buitenfunctiestelling de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2008 ondermijnt omdat de materiële en feitelijke uitwerking van de buitenfunctiestelling en schorsing gelijk zijn aan het eerder verleende buitengewoon verlof dat juist bij voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter is geschorst. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarin niet en komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot buitenfunctiestelling. Nu het besluit tot buitenfunctiestelling naar verwachting in de bezwaarfase stand zal houden, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl