Rb. Amsterdam 26 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5546
Verzoeker betoogt dat verweerder met de buitenfunctiestelling en de daarop volgende schorsing de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2008 ondermijnt omdat de materiële en feitelijke uitwerking van de buitenfunctiestelling gelijk zijn aan het eerder verleende buitengewoon verlof dat juist bij voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter is geschorst. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarin niet en komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om verzoeker te schorsen. Nu het schorsingsbesluit naar verwachting in de bezwaarfase stand zal houden, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen. Geen spoedeisend belang meer bij verzoek ten aanzien van de buitenfunctiestelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl