Rb. Amsterdam 12 december 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1313

IPR, toepasselijk proces- en materieel recht Artikelen 1, 3, 4 en 8 EVO-Verdrag Ten aanzien van het procesrecht is in internationale gedingen uitgangspunt dat dit wordt beheerst door de wet van het land van de aangezochte rechter. Gelet op artikel 1 lid 2 sub h EVO-verdrag is dat in deze zaak niet anders, zodat in deze zaak in beginsel Nederlands procesrecht van toepassing is. Naar Nederlands recht dient daarmee eerst de vraag te worden beantwoord of voldoende gemotiveerd is betwist dat een overeenkomst was totstandgekomen, welke vraag voorafgaat aan de vraag welk materiële recht toepasselijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van de door eiseres gestelde overeenkomst door gedaagde niet voldoende betwist, zodat de rechtbank het bestaan van deze overeenkomst als vaststaand moet beschouwen. De vervolgens aan de orde zijnde vraag of de keuze voor Engels recht in algemene voorwaarden, die nog niet bestonden toen de toepasselijkheid ervan werd overeengekomen, volstaat, moet worden beantwoord naar Engels recht. Als deze rechtskeuze niet toepasselijk is, is ingevolge artikel 4 EVO-Verdrag Frans recht toepasselijk. De rechtbank is voornemens de naar Engels/Frans recht te beantwoorden vragen voor te leggen aan het Internationaal Juridisch Instituut.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen