Rb. Amsterdam 18 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6733

Voorlopige voorziening in het kader van een aanvraag voor zorg op grond van de AWBZ door een vreemdeling zonder verblijfsvergunning. Sinds de aanvraag van verzoeker zijn zeven maanden verstreken, derhalve staat vast dat de beslistermijn is verstreken. De rechter draagt verweerder op om binnen zes weken een besluit op de aanvraag te nemen. De rechter heeft verweerder tevens opgedragen verzoeker op een zo kort mogelijke termijn, waarbij de voorzieningenrechter denkt aan uiterlijk binnen twee weken, te doen plaatsen in een instelling overeenkomstig de indicatiestelling van het CIZ. Deze voorziening geldt tot zes weken na bekendmaking van het besluit op de aanvraag. De rechter heeft daarbij mee laten wegen dat de beoordeling van de aanvraag volgens verweerder juridisch gecompliceerd is. Voordat verweerder de zorg kan toewijzen dient onder meer de vraag te worden beantwoord of verzoeker op grond van artikel 5b van de AWBZ verzekerde is overeenkomstig de bepalingen van de AWBZ. Volgens de rechter neemt de opdracht een besluit op de aanvraag te nemen niet weg, dat er op korte termijn in de situatie van verzoeker een inhoudelijke voorziening – al dan niet als overbrugging – moet worden getroffen. De rechter heeft daarbij van belang geacht dat verzoeker ernstig ziek is en verzoeker een indicatie voor plaatsing in een instelling heeft. Voorts overweegt de rechter dat verzoeker de zorg in Nederland zal dienen te krijgen nu hij op basis van zijn medische situatie op dit moment niet wordt uitgezet. Tenslotte is de besluitvorming op verzoekers aanvraag traag verlopen, en heeft verweerder niet aangegeven dat op korte termijn een alternatieve oplossing voor verzoekers zorgvraag voorhanden is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen