Rb. Amsterdam 14 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1853

Uitleg optieovereenkomst. De eigenaren van twee in één pand gelegen appartementen, die enkele ruimten en voorzieningen in gemeenschappelijk gebruik hebben, hebben in 1993 een optieovereenkomst gesloten. Blijkens de considerans van die overeenkomst wilde men daarmee bereiken dat, indien een partij zou overlijden dan wel bij leven zijn appartementsrecht zou willen vervreemden, de "verblijvende partij" niet met willekeurige rechtsopvolgers, onder algemene of bijzondere titel, zou worden geconfronteerd. Partijen bij de overeenkomst zijn enerzijds A en B, die samen eigenaar zijn van het ene appartement, en anderzijds C, die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst eigenaar was van het andere appartement. Na het overlijden van C ontstaat een geschil tussen enerzijds A en B, die menen hun optie tot koop te kunnen uitoefenen tegen de in de overeenkomst genoemde maximumprijs (die aanzienlijk lager is dan de marktprijs op dat moment) en anderzijds de echtgenoot van C, die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst nog niet met C gehuwd was, maar toen wel reeds diens inwonende partner was, en aan wie het appartement van C enkele dagen voor het overlijden van C is toegescheiden bij huwelijkse voorwaarden staande huwelijk. Uitleg van de optieovereenkomst. De rechtbank verwerpt de uitleg van de echtgenoot, inhoudend dat A en B hun optie eerst kunnen uitoefenen nadat zowel C als hijzelf zal zijn overleden. De rechtbank verwerpt ook de uitleg van de echtgenoot, dat de overeenkomst een toescheiding krachtens huwelijkse voorwaarden staande huwelijk vrij laat. Optieovereenkomst is niet in strijd met de goede zeden of de openbare orde. De optieovereenkomst is niet vernietigbaar ingevolge het bepaalde in artikel 7:177 lid 1 juncto artikel 7:187 lid 2 BW bij gebreke van een notariële akte. Uit artikel 79 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat een schenking die onder het oude schenkingsrecht geldig was, niet door de invoering van het nieuwe schenkingsrecht haar rechtsgeldigheid kan verliezen. Beroep op derogerende werking van redelijkheid en billijkheid en op onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW faalt. Opwerpen niet-ontvankelijkheidsverweer bij akte na comparitie is in dit geval in strijd met de eisen van een goede procesorde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen