Rb. Amsterdam 21 mei 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5917

Verzoek om naturalisatie / verlies van oorspronkelijke nationaliteit / motiveringsgebrek De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat eiser bij indiening van het verzoek om naturalisatie een ondertekende verklaring heeft overgelegd bereid te zijn al het mogelijke te doen zijn Egyptische nationaliteit te verliezen. Voorts heeft eiser in bezwaar een brief overgelegd van 21 december 2005 van de Egyptische autoriteiten waaruit blijkt dat eiser heeft verzocht om toestemming tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen verklaring van de Egyptische autoriteiten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij toestemming heeft een andere nationaliteit aan te vragen. Uit paragraaf 5.3 van de in de Handleiding opgenomen toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWNL blijkt dat verweerder het beleid voert dat de verzoeker om naturalisatie de mogelijkheid heeft om ook na inwilliging van het verzoek alles in het werk te stellen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Daarbij heeft verweerder de mogelijkheid het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend in te trekken, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWNL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met een bereidheidsverklaring van eiser en het verzoek aan de Egyptische autoriteiten. Evenmin heeft verweerder gemotiveerd waarom de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten had moeten worden overgelegd voorafgaand aan het besluit op het bezwaar, terwijl de wet en het beleid voorzien in de mogelijkheid om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen na totstandkoming van het Nederlanderschap.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen