Rb. Amsterdam 6 oktober 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4085
In twee recente tussenuitspraken van respectievelijk de rechtbank Amsterdam en de Centrale Raad van Beroep zijn prejudiciële vragen zijn gesteld over de vraag of een Wajong-uitkering moet worden aangemerkt als een prestatie bij invaliditeit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vo. 1408/71. Indien dat het geval is, is de Wajong ten onrechte opgenomen in bijlage II bis van de Vo. 1408/71 en is het in strijd met het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van Vo. 1408/71 om het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering te beëindigen in het geval de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechter dat gerede twijfel bestaat over de vraag of het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering in verzoekers geval met toepassing van artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van de Wajong mag worden beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin verzoeker buiten Nederland is gaan wonen. Niet in geschil is dat verzoeker volledig en blijvend arbeidsongeschikt is en dat indien hij in Nederland woonachtig zou zijn gebleven zijn uitkering krachtens de Wajong ongewijzigd zou zijn voortgezet. Evenmin is in geschil dat het antwoord op de prejudiciële vragen niet op korte termijn is te verwachten. Voorts is voldoende aannemelijk dat verzoeker door het beëindigen van zijn uitkering in een financiële noodsituatie dreigt te komen. Daarbij is, naar aanleiding van hetgeen van de zijde van verweerder ter zitting is opgemerkt van belang dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker in Duitsland aanspraak kan maken op enige vorm van financiële bijstand. Gelet op de financiële noodsituatie die dreigt te ontstaan is er aanleiding om de gerezen twijfel omtrent het bestreden en daaraan voorafgaande primaire besluit niet ten nadele van verzoeker te laten komen. Beslissing op bezwaar en primair besluit geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl