Rb. Amsterdam 5 augustus 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU3319
Eiser heeft een verzoek tot naturalisatie als bedoeld in artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWNL) ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 10 van de RWNL, met name nu ambtelijk verzuim blijkens de toelichting bij artikel 10 van de RWNL kan leiden tot toepassing van dit artikel De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat de uitleg van verweerder van het begrip ambtelijk verzuim geen grondslag vindt in hetgeen daarover is opgenomen in de handleiding. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling of er in het geval van eiser sprake is van een bijzondere geval heeft betrokken de omstandigheid dat eiser in zijn belangen is geschaad nu hij onder de nieuwe RWNL van 1 april 2003 pas in 2006 opnieuw het Nederlanderschap kan aanvragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser op het moment dat hij vijf jaar verbleef in Nederland, te weten op 26 februari 2003, nog tijdig een nieuw naturalisatieverzoek onder de oude RWNL had kunnen indienen, terwijl op 14 juli 2003, de datum van de beslissing op de aanvraag, de nieuwe RWNL in werking getreden was. Voorts heeft verweerder de afwijzing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl