Rb. Amsterdam 15 november 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AR6971

Geen rechtvaardiging voor onderscheid naar nationaliteit (i.c. tussen in Turkije levende Turken en in Marokko levende Marokkanen) t.a.v. datum herkrijgen recht op toeslag na uitspraak CRvB. Eisers, in Marokko levende Marokkanen, genoten naast een WAO-uitkering toeslagen ingevolge de TW. I.v.m. de inwerkingtreding van de Wet BEU zijn deze toeslagen afgebouwd. Eisers zijn hiertegen niet in beroep gekomen. Andere in Marokko levende Marokkanen zijn wel in beroep gekomen, hetgeen heeft geresulteerd in een uitspraak van de CRvB van 12 september 2003 (MS 2003, 263; USZ 2003, 303; RSV 2004/46; LJN AJ6850). De Raad heeft hierin geoordeeld dat voormelde afbouw strijdig is met de exportbepaling van art. 5.2. van het NMV. N.a.v. deze uitspraak hebben de Marokkanen die zijn opgekomen tegen de afbouw van de toeslag hun volledige toeslag ingaande 1 januari 2001 herkregen. Zij die niet tegen de afbouw zijn opgekomen hebben hun toeslag per datum uitspraak van de CRvB herkregen. Eisers achten deze handelwijze in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijzen daartoe naar een uitspraak van de CRvB van 14 maart 2003, RSV 2003/114 inzake de afbouw van toeslag van in Turkije wonende Turken. N.a.v. deze uitspraak heeft verweerder besloten zowel de Turken die destijds wel waren opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag als de Turken die niet waren opgekomen tegen voormelde afbouw de toeslag m.i..v. 1 januari 2001 te hergeven. Rb.: Vastgesteld dient te worden dat eisers geen nova in de zin van art. 4:6 hebben aangevoerd. Derhalve dient vervolgens beoordeeld te worden of verweerder bij de toepassing van art. 4:6 Awb de bestreden besluiten niet in redelijkheid heeft kunnen nemen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel. De Rb. is van oordeel dat verweerder bij het nemen van de bestreden besluiten het algemene rechtsbeginsel dat materieel gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld heeft veronachtzaamd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de groep Turkse uitkeringsgerechtigden aan wie de toeslag in verband met de uitspraak van de CRvB is hergeven en eisers niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, omdat de Turkse uitkeringsgerechtigden sedert 1 juli 2003 als gevolg van de aanmelding van de toeslag bij de Directeur-Generaal van de ILO geen recht meer hebben op de toeslag, terwijl eisers, die hun aanspraken op toeslag ontlenen aan het NMV, nog gedurende jaren de toeslag zullen blijven ontvangen.br> De Rb. acht dit standpunt onjuist. In haar uitspraak van 19 maart 2004, gepubliceerd in RSV 2004/161, in een geschil tussen verweerder en een aantal Turkse uitkeringsgerechtigden heeft de Rb. geoordeeld dat de intrekking van de toeslag per 1 juli 2003 onrechtmatig is, omdat de aanmelding van de toeslag als uitkering in de zin van art. 2, zesde lid, aanhef en onder a, van ILO-conventie 118 geen gevolgen heeft voor de toepasselijkheid van art. 5 ILO-conventie 118. Voorts heeft de Rb. geoordeeld dat de intrekking van de toeslag in strijd is met art. 6 Besluit 3/80 Associatieraad EEG-Turkije, art. 14 EVRM en art. 26 Bupo. De Rb. is van oordeel dat op grond van deze uitspraak vaststaat dat ook de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden nog vele jaren recht zal blijven houden op de toeslag. Dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen genoemde uitspraak doet daaraan niet af. Ook overigens ziet de Rb. geen verschillen tussen de groep van Turkse uitkeringsgerechtigden en eisers die zouden moeten leiden tot de conclusie dat deze groepen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Weliswaar gelden ten aanzien van beide groepen verschillende internationale bepalingen, doch deze bepalingen komen materieel overeen waar het gaat om regels die zien op een verbod op beperking van de export van de toeslag. Dat door de CRvB ten aanzien van beide groepen op verschillende data is geoordeeld dat art. 4a TW geen grondslag kan vormen voor de intrekking van de toeslag per 1 januari 2001 ziet de Rb. evenmin als een grond voor het oordeel dat het hier om materieel ongelijke groepen gaat. Nu geconcludeerd moet worden dat eisers met het nemen van de bestreden besluiten nadeliger worden behandeld dan een vergelijkbare groep van Turkse uitkeringsgerechtigden, het standpunt van verweerder dat hier geen sprake is van gelijke gevallen onjuist is, en door verweerder voor het gemaakte onderscheid (naar nationaliteit) geen enkele rechtvaardiging is aangevoerd, is de Rb. van oordeel dat de bestreden besluiten strijden met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden besluiten zullen worden vernietigd, en de beroepen gegrond zullen worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen