Rb. Amsterdam 7 november 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AF0366

Art. 3.17.7.b Wsf 2000 (OV-boete) in strijd met art. 6 EVRM. Verweerster heeft van eiseres een bedrag ad ƒ 3.209,47 gevorderd, vanwege eigen inkomsten van eiseres naast de studiefinanciering die zij in 1996 heeft ontvangen. Rb.: De vordering is om. gebaseerd op basis van de OV-boete. Onderhavige sanctie wordt opgelegd vanwege het hebben van meerinkomen maar de zwaarte ervan wordt uitsluitend bepaald door het aantal maanden waarin de betrokkene de beschikking had over een OV-studentenkaart. Dit systeem kan ertoe leiden dat iemand met weinig meerinkomen, die het hele jaar de beschikking had over de OV-studentenkaart, een sanctie krijgt opgelegd die een veelvoud is van zijn meerinkomen, terwijl iemand met een zeer hoog meerinkomen, zonder kaart, geen sanctie krijgt opgelegd. Dit terwijl de wet aan het hebben van meerinkomen geen gevolgen verbindt voor het recht op basisbeurs of de reisvoorziening. De rechtbank concludeert daarom dat dit systeem geen enkel verband legt tussen de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding - het hebben van meerinkomen - en de op te leggen sanctie. Toepassing van dit systeem leidt daarom, in zijn algemeenheid, tot een sanctie die in strijd moet worden geacht met het evenredigheidsbeginsel neergelegd in art. 6 EVRM. In casu is geen sprake van een evenredige sanctie. Art. 3.17.7.b Wsf 2000 dient derhalve buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met art. 6 EVRM. Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AL1621

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen