Rb. Amsterdam 6 augustus 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AE8102
Bij de belangenafweging in het kader van art. 8:32.2 Awb dient in zijn algemeenheid het belang van de werknemer bij privacy-bescherming zwaarder te wegen dan het belang van de werkgever bij het kunnen kennisnemen van de inhoud van medische stukken. Handhaving van vaststelling verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie over 2000, onder overweging dat art. 87e WAO er aan in de weg staat dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen een premiedifferentiatiebesluit wordt gebaseerd op het standpunt dat de onderliggende uitkeringen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. De in de artikelen 88 tot en met 88i WAO neergelegde medische besluitenregeling kan in verband met het bepaalde in art. 6 EVRM niet in alle gevallen onverkort worden toegepast. In die gevallen waarin de werknemer de in art. 88a WAO bedoelde toestemming niet heeft verleend, dienen de artikelen 88c en 88g WAO in zoverre buiten toepassing te worden gelaten dat in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met toepassing van art. 8:32.2 Awb wordt bepaald dat kennisneming van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is. Bij de toepassing van art. 8:32 van de Awb dient, zoals de Centrale Raad van Beroep heeft aangegeven in zijn uitspraak van 13 februari 2002, 00/3947 WAO, gepubliceerd in RSV 2002/128, url(''LJN AE0911'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AE0911) , in procedures als deze het belang van de werknemer tot bescherming van zijn recht op privacy te worden afgewogen tegen het belang van de werkgever, dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op toegang tot de rechter en tot een eerlijk proces, als neergelegd in art. 6 EVRM en uitgewerkt in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Deze belangen tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat in zijn algemeenheid het belang van de werknemer bij het beschermen van zijn privacy, in die zin dat zijn werkgever niet zonder zijn toestemming kennis mag nemen van zijn medische gegevens, zwaarder dient te wegen dan het belang van de werkgever bij het kunnen kennisnemen van de inhoud van die stukken. De rechtbank sluit echter niet op voorhand uit dat zich uitzonderingen op dit algemene uitgangspunt kunnen voordoen. Deze uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met de aard van de aandoening, met de aard van de gegevens, dan wel met de opstelling van de werknemer. Voorts doet zich een uitzondering voor ten aanzien van informatie die de werkgever eerder op rechtmatige wijze heeft verkregen. Als medische gegevens, waarvan kennisneming bij het ontbreken van toestemming van de werknemer aan de werkgever zelf dient te worden onthouden, gelden in het algemeen gegevens die betrekking hebben op, respectievelijk op betrekkelijk eenvoudige wijze zijn te herleiden tot een concrete diagnose of, meer in het algemeen, de aard van de aandoening. Naast vermelding van de diagnose of de aard van de aandoening zelf dient daarbij voorts te worden gedacht aan gegevens omtrent medicatie, behandeling, behandelend artsen (specialisme), bezochte klinieken (specialisme). De rechtbank geeft verder in de uitspraak een opsomming, welke stukken in principe als medische respectievelijk niet-medische stukken gelden. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mrs. M.P. Verloop, M.C. Bruning, E.E.V. Lenos
De uitspraak op rechtspraak.nl