Rb. Amsterdam 7 maart 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AE0081
Toetsing van de toepassing van de Mediawet ten aanzien van aspirant-omroep aan art. 7 Grondwet. Afwijzing aanvraag van de Níeuwe Omroep (eiseres) voor voorlopige erkenning als omroep in het publieke omroepbestel. Niet in geschil is dat de rechter op grond van het bepaalde in art. 120 Grondwet niet bevoegd is om de (Media)wet rechtstreeks aan art. 7 Grondwet te toetsen. De vraag die hier evenwel aan de orde is, is of de toepassing van de Mediawet, gelet op het bepaalde in art. 120 Grondwet evenmin kan worden getoetst aan art. 7.2 Grondwet. De rechtbank is van oordeel dat, nu noch uit de tekst noch uit de parlementaire geschiedenis van art. 120 Grondwet een dergelijk ondubbelzinnig verbod kan worden afgeleid, voor het antwoord op die vraag allereerst van belang is de aard van de toe te passen wettelijke bepaling. Naarmate die bepaling aan het tot toepassing daarvan bevoegde bestuursorgaan minder ruimte biedt tot het ter zake ontwikkelen en voeren van beleid of het maken van een zelfstandige beoordeling, moet eerder worden aangenomen dat toetsing van de toepassing van de wet aan de Grondwet neerkomt op de in art. 120 verboden toetsing van de wet aan de Grondwet. In het onderhavige geval is sprake van een wettelijke bepaling die aan het bestuursorgaan een - zeer ruime - beleidsvrijheid laat. Immers, voor het antwoord van verweerder op de vragen, of naar het oordeel van verweerder sprake is van een - kort gezegd - niet of onvoldoende vernieuwend programma-aanbod in de zin van de Mediawet, en zo ja: of om die reden de aanvraag om een voorlopige erkenning dient te worden afgewezen, zijn noch de tekst noch de strekking van de Mediawet richtinggevend, laat staan bepalend. Voorts is van belang dat uit de parlementaire geschiedenis van de Mediawet weliswaar kan worden afgeleid dat verweerder bij het verlenen van een voorlopige erkenning tot enige mate van inhoudelijke toetsing van het beleidsplan van eiseres bevoegd is, maar niet dat de wetgever de omstandigheid dat die inhoudelijke beoordeling in strijd zou kunnen komen met het verbod van censuur neergelegd in art. 7 Grondwet uitdrukkelijk in zijn afweging heeft betrokken en in de Mediawet heeft verdisconteerd. In het onderhavige geval kan daarom rechtens niet worden volgehouden dat toetsing van de toepassing van de Mediawet aan de Grondwet langs een omweg materieel neerkomt op voornoemde verboden toetsing van de wet aan de Grondwet. In het onderhavige geval dient daarom de beweerde ongrondwettigheid van het bestreden besluit aan art. 7 Grondwet te worden getoetst. Uit de memorie van toelichting bij art. 7.2 Grondwet volgt naar het oordeel van de rechtbank reeds dat art. 7 Grondwet niet aan een vergunningenstelsel op inhoudelijke gronden in de weg staat. De invoering van een vergunningenstelsel vindt haar begrenzing in het verbod van discriminatie van omroepen, neergelegd in art. 1 Grondwet. Het door eiseres beweerde verbod van een gedetailleerde inhoudelijke toetsing door verweerder van het beleidsplan kan uit de eerste volzin van art. 7.2 Grondwet niet worden afgeleid. Eiseres kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat (ook) de tweede volzin van art. 7.2 Grondwet zich bij de beoordeling van een vergunningaanvraag tegen een inhoudelijke toetsing van het beleidsplan verzet. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat het verbod van preventieve censuur in de tweede volzin van art. 7.2 Grondwet ziet op het uitzenden, althans het doorgeven of overbrengen, van concrete, individuele radio- en televisieuitzendingen. Het verbod heeft geen betrekking op de situatie waarin van zodanige uitzendingen nog geen sprake is of kan zijn, zoals in het geval van de De Níeuwe Omroep, die als aspirant-omroep nog in de fase van vergunningaanvraag verkeert. Evenmin is de rechtbank gebleken dat verweerder met het bestreden besluit is getreden buiten de kaders van de artikelen 37a en 37b Mediawet. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat toepassing van art. 37b Mediawet zich in dit geval niet verdraagt met art. 10.2 EVRM, zich beroepend op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens van 21 september 2000 (Privatfernsehgesellschaft tegen Oostenrijk), en gesteld dat ook in het onderhavige geval de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, nu het aangehaalde arrest een andersoortige zaak betreft. Weigering van de zendvergunning in de Oostenrijkse zaak vond immers haar grondslag in het ontbreken van wetgeving ter zake, terwijl de onderhavige zaak juist betreft de wettelijk voorgeschreven gedetailleerde toetsing van een gevraagde omroepvergunning. Ongegrond beroep. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder. mrs. A.W.P. Letschert, M.F.J.M. de Werd, B.J. Schueler
De uitspraak op rechtspraak.nl