Rb. Amsterdam 24 januari 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AD9894
Afbouwen toeslag in het kader van de Wet BEU in strijd met EVSZ. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat de toeslag op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van art. 4a jo. XI Wet BEU gedurende drie jaar zal worden afgebouwd. De rechtbank is van oordeel dat de toeslag ingevolge de TW, die eiser op zijn WAO-uitkering ontvangt, valt binnen de termen van art. 1, onder v, art. 2, eerste lid, aanhef en sub b en art. 3, eerste lid, van het EVSZ. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de toeslag voor de toepassing van het Verdrag op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de "onderliggende" WAO-uitkering. Artikel 11, eerste lid, van het EVSZ luidt als volgt: "Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden (in de authentieke Engelse tekst: "invalidity cash benefits, old-age survivors' cash benefits, pensions in respect of occupational injuries or diseases, nor death grants"), verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkering verschuldigd is." Het tweede lid van art. 11 voorziet in een bijzondere regeling voor uitkeringen vermeld in Bijlage IV bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in Bijlage IV doen opnemen. Het derde lid van art. 11 voorziet in een uitzondering op de in het eerste lid neergelegde regeling voor bepaalde uitkeringen van niet-contributieve aard. Zoals uit de aanhef van het derde lid blijkt kan deze uitzondering evenwel slechts gelden voor uitkeringen die zijn vermeld in Bijlage VI bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wajong in Bijlage VI doen opnemen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in casu de hoofdregel van art. 11.1 EVSZ geldt. Deze bepaling verzet zich ertegen dat verweerder de WAO-uitkering van eiser afbouwt of intrekt omdat hij in Turkije woont. Aangezien de toeslag ingevolge de TW op de WAO-uitkering op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de "onderliggende" WAO-uitkering, staat deze bepaling evenzeer in de weg aan het afbouwen of intrekken van eisers toeslag. Verweerder heeft in de onderhavige procedure aangevoerd dat een toeslag op grond van. de TW geen zelfstandige prestatie bij invaliditeit is, doch een aanvulling op een uitkering bij invaliditeit. Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld te betogen dat de toeslag niet valt onder de materiële werkingssfeer van het EVSZ kan de rechtbank verweerder hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder dat art. 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk bepaalt dat onder "uitkering" niet alleen de uitkering zelf moet worden verstaan, maar ook alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassingen aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, alsmede prestaties bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank valt een uitkering ingevolge de TW in een situatie als de onderhavige onder deze noemer. In casu dient de toeslag te worden aangemerkt als een aanvulling op de WAO-uitkering en de TW als een wet die een aanvulling vormt op de WAO. Dat op grond van. de TW ook een aanvulling op een andere loondervingsuitkering dan de WAO kan worden verkregen, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Het kan niet zo zijn dat wanneer de nationale wetgever besluit de aanvulling op twee of meer door het EVSZ bestreken soorten uitkeringen in één wettelijke regeling neer te leggen, deze aanvulling daarmee buiten de werkingssfeer van het EVSZ komt te vallen. Voor zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat de TW niet onder de werking van het EVSZ valt omdat het hier een voorziening betreft en geen verzekering, onderschrijft de rechtbank dit standpunt ook niet. Noch in art. 1, onder v, noch elders in het EVSZ worden voorzieningen uitgesloten van de werking van het EVSZ. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het EVSZ alleen van toepassing te achten op aanvullingen op verzekeringen die zelf ook het karakter van een verzekering hebben. De rechtbank wijst er in dit verband op dat artikel 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk spreekt van bedragen ten laste van de openbare middelen. Waar verzekeringen in het algemeen niet vanuit de openbare middelen worden gefinancierd ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat het EVSZ louter ziet op verzekeringen. Beroep gegrond. Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1976, 158, EVSZ) 1.v, 2.1.b, 3.1 Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) 4a, XI
De uitspraak op rechtspraak.nl