Rb. Amsterdam 9 juli 1999, ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4272

Vereveningsregeling 1995 onverbindend wegens strijd met letter en strekking van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Samenvatting Awb: Onderlinge Waarborgmaatschappij ‘Maav’ U.A. is bestuursorgaan ex art. 1:1.1 Awb. Onderlinge Waarborgmaatschappij ‘Maav’ is een privaatrechtelijke rechtspersoon ex art. 3 boek 2 BW. Het bestuur van deze maatschappij (verweerder) is om die reden geen orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld zoals bedoeld in art. 1:1.1.a Awb. Verweerder dient echter te worden aangemerkt als een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed, zoals bedoeld in art. 1:1.1.b Awb. Verweerder is immers op grond van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Maav) de publiekrechtelijke bevoegdheid toegekend tot het vaststellen van een vereveningsregeling en tot het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten door middel van het opleggen van aanslagen. Het besluit in primo, waarbij aan eiseres een aanslag is opgelegd, is dan ook een besluit ex art. 1:3.1 Awb. Samenvatting materieel: Vereveningsregeling 1995 onverbindend wegens strijd met letter en strekking van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Oplegging aanslag ad f 837.595,20 en gegrondverklaring bezwaar Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid te Amsterdam wat betreft de eenmaligheid van de aanslag. - Art. 2.1 van de Vereveningsregeling 1995 is, door als uitgangspunt een eenmalige aanslag te nemen, op dit onderdeel onverbindend. Verweerder heeft deze regeling ten aanzien van eiseres op dit onderdeel bij het bestreden besluit mitsdien terecht buiten toepassing gelaten. - Uit art. 5.1 in samenhang met art. 3.2 van de Wet Maav volgt, dat de jaarlijks aan eiseres op te leggen aanslag, uitsluitend kan worden berekend en vastgesteld aan de hand van een vooraf vast te stellen Vereveningsregeling, welke regeling moet worden vastgesteld door door de Minister aangewezen representatieve organisaties van verzekeraars. Onder de vaststelling van de totale omvang van de geleden schaden van de aangewezen rechtspersoon in een bepaald jaar, alsmede de vaststelling van het tekort van de rechtspersoon dient, volgens de tekst en de strekking van art. 3 van de Wet Maav, te worden verstaan de – reeds – door de rechtspersoon geleden schaden vermeerderd met de kosten van de bedrijfsuitoefening en daarop in mindering gebracht de over dezelfde periode – reeds – verdiende premies. Uitgangspunt daarbij is dat het ingevolge art. 3.2 Wet Maav vast te stellen bedrag grotendeels achteraf, na afloop van een kalenderjaar, door de verzekeraars en pensioenfondsen wordt betaald. Een dergelijke regeling is niet tot stand gebracht. Reeds hierom ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag. - Voorts blijft het in art. 2 van de Vereveningsregeling 1995 vervatte omslagstelsel ook zonder het bepaalde omtrent de eenmaligheid van de aanslag gericht op afhandeling van de omslag van verweerders tekort, naar rato van het per 31-12-1995 te bepalen aantal verzekerden met een positief WAO-hiaat per verzekeringsinstelling, in plaats van op een jaarlijkse vaststelling van het tekort zoals bedoeld in art. 3.1 Wet Maav. De lezing waarbij verweerder onder "jaarlijks door hem geleden schaden" mede begrijpt de toekomstige uitkeringen is in strijd met art. 3 Wet Maav. Gegrond beroep. De onderhavige uitspraak is vernietigd bij uitspraak ABRS van 05-04-2001 inzake no. 199903122/1, LJN AB1220 (JB 2001/130).De ABRS oordeelt de Vereveningsregeling 1995 (zonder het door verweerder al buiten toepassing gelaten gedeelte) niet onverbindend wegens strijd met de Wet Maav.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen