Rb. Almelo 29 oktober 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY1625

Bestuurlijke boetes wegens overtreding van art. 2 lid 1 Wav. De Rb. constateert een motiveringsgebrek en stelt voorop dat toepassing van een bestuurlijke lus in boetezaken met een zekere terughoudendheid dient te geschieden. Hoewel de letterlijke tekst van art. 8:72a Awb zich niet tegen het toepassen van de bestuurlijke lus verzet, verdraagt een vrije toepassing zich niet met de uitdrukkelijke wens van de wetgever die, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, de bestuurlijke lus juist niet aanvaardbaar acht bij een bestuurlijke boete. Dit neemt niet weg dat toepassing (onder meer) denkbaar is, indien dit ertoe leidt dat niet langer redelijke twijfel bestaat over de voorgevallen feiten en omstandigheden. Dit sluit aan bij de strafrechtelijke praktijk. Uitgangspunt is dan wel dat het – in beginsel – niet mag gaan om een geheel nieuwe bewijsrechtelijke grondslag. In dit geval is een verklaring reeds als bewijsmiddel ingebracht en doorslaggevend geacht. De verklaring is echter op een wezenlijk onderdeel dubbelzinnig. Een lus zou kunnen worden toegepast om alsnog de gewenste duidelijkheid te verkrijgen. Toch kiest de Rb. hier niet voor omdat de verklaring afkomstig is van één getuige en een beperkt deel van de feiten betreft. Onder die omstandigheden ziet de Rb. aanleiding het vooronderzoek met toepassing van art. 8:68 Awb te heropenen en gebruik te maken van haar bevoegdheid om [X] zelf als getuige op te roepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen