Rb. Almelo 20 januari 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BL3104
Gelet op artikel 2, elfde lid, van de Wajong en artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten geeft het Protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom (hierna: Protocol CVS) de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot CVS weer. Gelet op hetgeen in dit protocol is vermeld, moet worden aangenomen dat thans in de medische wetenschap algemeen aanvaard is dat CVS een reële en invaliderende aandoening is en daarmee is aan te merken als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wajong. Voorts blijkt uit het Protocol CVS dat naar huidig medisch inzicht CVS tot beperkingen in het functioneren kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze beperkingen niet anders worden gezien dan als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van CVS. Of bij een belanghebbende sprake is van beperkingen in de belastbaarheid ten gevolge van CVS, en zo ja in welke mate, zal de (bezwaar)verzekeringsarts in iedere individuele zaak afzonderlijk dienen te beoordelen. De (bezwaar)verzekeringsarts zal daarbij niet, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd, het standpunt kunnen innemen dat er geen aanleiding bestaat om (meer) beperkingen in de belastbaarheid aan te nemen reeds omdat er geen afwijkingen zijn gevonden. Bij de (bezwaar)verzekeringsarts zal voldoende duidelijkheid dienen te bestaan over de door belanghebbende ervaren klachten en belemmeringen, aangezien deze het uitgangspunt dienen te vormen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De rechtbank is er niet van overtuigd dat die duidelijkheid in de onderhavige zaak aanwezig is, nu aannemelijk is dat eiseres er vanuit ging dat het gesprek met de verzekeringsarts betrekking had op haar verzoek om een vergoeding van een behandeling tegen hoofdpijn en zij met name hierop gerichte informatie heeft verstrekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl