Rb. Almelo 20 november 2001, ECLI:NL:RBALM:2001:AD6835

Weigeren gedoogverklaring is in casu niet gericht op rechtsgevolg. Melding door eiseres (woningstichting) bij verweerder, dat zij voornemens is nevenactiviteiten te verrichten (55% deelneming van een door haar op te richten beheermaatschappij in twee andere ondernemingen, nl. een makelaarskantoor en een hypotheekkantoor). Eiseres verzoekt verweerder tevens om toestemming voor deze activiteiten. Verweerder geeft eiseres bij het primaire besluit een aanwijzing als bedoeld in art. 41, eerste lid, Besluit beheer sociale-huursector (verder: BBSH) om de voorgenomen deelname achterwege te laten. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit op bezwaar de aanwijzing op grond van art. 41, eerste lid, BBSH heeft ingetrokken en vervangen door zijn rechtsoordeel dat het voornemen van eiseres niet past in het in de circulaire MG 99-23 geschetste beleid. Partijen zijn van mening dat de circulaire MG 99-23 een beleidsregel is, waarin verweerder uiteenzet onder welke omstandigheden hij bereid is te gedogen dat in strijd met het BBSH wordt gehandeld. Het BBSH kent in het bepaalde in art. 41, eerste lid, de mogelijkheid om voorafgaand aan activiteiten te bepalen of deze wel of niet in het belang van de volkshuisvesting zijn. Een dergelijke handelswijze kan niet als onevenredig bezwarend worden aangemerkt. Wanneer verweerder tot de conclusie komt dat de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met het belang van de volkshuisvesting kan hij toepassing geven aan art. 41, eerste lid, BBSH. De toegelaten instelling kan vervolgens de vraag of verweerder terecht tot de aanwijzing is gekomen aan de rechter voorleggen. Zou ook de mededeling dat de voorgenomen activiteiten in strijd zijn met het BBSH zijn aan te merken als een besluit, waartegen beroep mogelijk is, dan zou dat met zich brengen dat, zonder dat er sprake is van een onevenredig belastende alternatieve weg, tweemaal over dezelfde kwestie in rechte wordt geprocedeerd, te weten eenmaal tegen de aanvankelijke mededeling dat er sprake is van met het BBSH strijdige voorgenomen activiteiten, en eenmaal tegen de aanwijzing ex art. 41, eerste lid, BBSH, die zou volgen als de toegelaten instelling ondanks verweerders aanvankelijke opvatting de activiteiten toch wenst. Juist in het feit dat een partij door art. 41, eerste lid, BBSH duidelijkheid kan verkrijgen ten aanzien van zijn eigen rechtspositie ziet de rechtbank aanleiding om de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het weigeren van gedoogverklaringen (onder meer 22 juli 1999, H01.98.0114 LJN AA3610 ECLI:NL:RVS:1999:AA3610 , en 31 juli 2000, 199902942/1, LJN AA6967 ECLI:NL:RVS:2000:AA6967 niet te volgen. In dit geval hoefde eiseres niet de financieel risicovolle weg te begaan door de activiteit daadwerkelijk uit te voeren en een aanwijzing achteraf te riskeren. Zij kon ook, gelijk zij daadwerkelijk gedaan heeft, de voorgenomen activiteiten voorleggen aan verweerder en diens oordeel over de aanvaardbaarheid van de activiteiten afwachten. Het aanvankelijke oordeel van verweerder dat de activiteiten niet in overeenstemming zijn met zijn beleid en dat derhalve een aanwijzing als bedoeld in art. 41, eerste lid, BBSH werd gegeven, is in het besluit op het bezwaarschrift vervangen door het oordeel dat de door eiseres voorgenomen activiteiten in strijd zijn met verweerders beleid en dat, indien deze activiteiten desalniettemin worden ondernomen, een aanwijzing zal worden overwogen. Daarmee heeft verweerder het rechtsgevolg aan zijn primaire besluit ontnomen en ligt er niet meer een geschil met betrekking tot een besluit voor. De bestuursrechter is alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, indien een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan voorligt. Waar zulk een geschil niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden verkregen, uitsluitend met het oog op de betekenis van de aan hem voorgelegde vraag. De omstandigheid dat tussen verweerder en eiseres een geschil bestaat omtrent de wenselijkheid van nevenactiviteiten, brengt niet met zich dat eiseres een procesbelang heeft. Ook anderszins is van een dergelijk belang niet gebleken. Eiseres is derhalve niet ontvankelijk in haar beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen