Rb. Almelo 26 april 2001, ECLI:NL:RBALM:2001:AB1713

Toekenning met terugwerkende kracht van WAO-uitkering aan werknemer; geen doorwerking in de berekening van door werkgever te betalen gedifferentieerde WAO-premie. De arbeidsovereenkomst tussen eiseres en werknemer X is ingaande 1 januari 1992 geëindigd. Eerst op 28 oktober 1997 vraagt X een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan ter zake van per augustus 1991 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft X ingaande 1 augustus 1991 verminderd belastbaar voor arbeid geacht. Overeenkomstig art. 35.2 WAO is X per 28 oktober 1996 een WAO-uitkering toegekend. Verweerder heeft eiseres medegedeeld dat voor het jaar 2000 de gedifferentieerde WAO-premie 4,80% bedraagt. De vraag is of de aan X toegekende WAO-uitkering bij de berekening van deze premie moet worden betrokken. Rechtbank: De wetgever heeft zich wat betreft het "ingaan van de uitkering" aangesloten bij de bewoordingen van art. 35 WAO. De rechtbank is op basis van de wetsgeschiedenis van oordeel dat doorwerking op de gedifferentieerde premie van uitkeringen die met terugwerkende kracht worden toegekend, de wetgever niet voor ogen heeft gestaan. De rechtbank overweegt dat in art. 35.1 WAO het beginsel tot uitdrukking is gebracht dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald vanaf de dag dat daar aanspraak op bestaat. Wanneer aan alle vereisten voor het recht wordt voldaan (verzekerd voor de wet, wachttijd, arbeidsongeschikt), wordt er een uitkering verstrekt. Het tweede lid brengt daar voor uitkeringen die met terugwerkende kracht worden aangevraagd, in zoverre een beperking op aan, dat, zo wordt vastgesteld dat de aanspraak bestaat, deze niet tot uitbetaling komt voor de periode die langer dan een jaar vóór de aanvraag is gelegen. Art. 35.2 WAO is, mede in het licht van art. 19.1 WAO, in dat verband vooral een regeling met betrekking tot de betaalbaarstelling (betaalbaarstelling gecursiveerd door de Rb.) van de uitkering, welke regeling overigens alle andere aanspraken onverlet laat. Wanneer art. 35 WAO in die zin wordt verstaan, is het gevolg daarvan dat wanneer een uitkering met terugwerkende kracht wordt toegekend voor een periode die is gelegen vóór de invoering van de Pemba, voor de berekening van de gedifferentieerde premie als ingangsdatum wordt uitgegaan van de hoofdregel uit art. 35.1 WAO, en wel van de dag waarop aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering werd voldaan. Dat die uitkering ingevolge het tweede lid voor een bepaalde periode niet tot uitbetaling komt, is in dat verband niet van belang. De rechtbank wijst in dit verband voorts nog op de discretionaire bevoegdheid die verweerder in art. 35.2 WAO is toegekend. Deze bevoegdheid laat verweerder een vrije ruimte bij de bepaling van de ingangsdatum van de uitkering. Deze vrije ruimte brengt met zich dat het in de macht van verweerder ligt om de door de werkgever te betalen gedifferentieerde premie sterk te beïnvloeden. Dit strookt niet met het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan de WAO en dat in beginsel uitgaat van een stelsel van gebonden beschikkingen (zoals de vaststelling van de verzekeringsplicht, de daarmee samenhangende premies en het recht op uitkering). Ook in dat opzicht is er reden een andere uitleg aan art. 35 WAO te geven dan verweerder heeft gedaan. Tenslotte is het de rechtbank ambtshalve bekend dat verweerder onder omstandigheden bepaalde aanspraken buiten invordering stelt. Nu verweerder zo uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zich hier een geval voordoet dat niet door de wetgever is gewenst, is de rechtbank van oordeel dat verweerder om die reden overeenkomstig dat standpunt had kunnen besluiten, en had kunnen bepalen de premiedifferentiatie op het betreffende onderdeel niet toe te passen, dan wel buiten invordering te stellen. Bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit dienen te nemen, waarbij de aan X uitgekeerde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet worden betrokken bij de berekening van de gedifferentieerde premie. Lisv, verweerder. mr. H.G. Rottier

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen