Rb. Almelo 25 oktober 2000, ECLI:NL:RBALM:2000:AA8346
Regeling van arts-gemachtigde strookt niet met het beginsel van vrije keuze van een gemachtigde. Artikelen 88c en 88d van de WAO zijn onverbindend wegens strijd met art. 6 van het EVRM. Deze uitspraak is tevens opgenomen in de Materiële Signalering van deze Nieuwsbrief onder nr. 464-2000 Naar het oordeel van de Rechtbank is de medische besluiten-regeling, zoals neergelegd in Hoofdstuk VII, paragraaf 2, van de WAO ten aanzien van de mogelijkheid van de werkgever om ter behartiging van zijn belangen een arts-gemachtigde in te schakelen, in strijd met de uit art. 6 van het EVRM voortvloeiende vereisten van toetsing van "the merits of the matter" en het beginsel van "equality of arms." Ter nadere onderbouwing van dit oordeel merkt de rechtbank op, dat de werkgever ingeval de werknemer geen toestemming geeft voor inzage in zijn medisch dossier, een arts-gemachtigde kan inschakelen. Uit de bewoordingen van art. 88c, tweede lid, van de WAO kan worden afgeleid dat de arts-gemachtigde de werkgever vervangt. Hij kan niet beschouwd worden als degene die de werkgever vertegenwoordigt, zoals een advocaat. Dit betekent, dat alleen de arts-gemachtigde en niet de werkgever en/of zijn advocaat de medische stukken mag inzien. Bovendien mag de arts-gemachtigde, hoewel hij door de werkgever wordt ingeschakeld ter behartiging van diens belangen, niet met de werkgever over de inhoud van de medische stukken overleg plegen. De rechtbank is van oordeel dat op deze wijze niet meer van een gelijke behandeling van procespartijen kan worden gesproken. Immers, de werkgever kan geen kennis dragen van een essentieel gedeelte van het dossier. De arts-gemachtigde die hem vervangt kan dat wel, doch deze mag omtrent de medische gegevens niet met de werkgever overleggen. Daar staat tegenover, dat de verwerende procespartij en zijn uitvoeringsinstelling wel over alle stukken kunnen beschikken en daar ook onbeperkt inzage in hebben. Geconcludeerd wordt dat in procedureel opzicht sprake is van een ongelijke situatie tussen partijen. Dit gebrek kan niet door het inschakelen van een arts-gemachtigde worden geheeld, omdat de door een dergelijke gemachtigde verleende bijstand als onvolkomen moet worden aangemerkt. De medische besluitenregeling brengt verder met zich, dat in een geval als het onderhavige de rechtbank een uitspraak zou moeten doen op basis van stukken die eiseres niet mag kennen en dat de rechtbank, gelet op de beperkte kennisneming van de stukken, in haar uitspraak niet zou mogen ingaan op de medische of arbeidsgezondheidskundige aspecten van het geschil. Dit betekent dan onder omstandigheden, dat de rechtbank gehouden zou zijn een uitspraak te doen die niet wordt gedragen door een voor de werkgever kenbare motivering. De rechtbank erkent, dat de werknemer aan art. 8 van het EVRM bescherming kan ontlenen voor zijn privacy belangen. Deze constatering laat evenwel onverlet, dat de wetgever met het introduceren van de arts-gemachtigde in de medische besluitenregeling van Hoofdstuk VII, paragraaf 2, van de WAO een onevenredig grote inbreuk heeft gemaakt op het recht van de werkgever op een eerlijk proces, zoals dit bescherming vindt in art. 6 van het EVRM. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat de artikelen 88c en 88d van de WAO wegens strijd met art. 6 van het EVRM onverbindend zijn. De rechtbank overweegt in dit verband nog, dat uiteraard onderkend moet worden dat het belang van de bescherming van de privacy van de werknemer in de weg kan staan aan een onbeperkte toegang van de werkgever tot de medische gegevens van een arbeidsongeschikte werknemer. Het is echter niet aan de rechtbank om bij wijze van een uitspraak een algemene oplossing te formuleren waarbij op een evenwichtiger wijze dan thans recht wordt gedaan aan de belangen van beide partijen. De oplossing voor dit conflict tussen grondrechten dient te worden gegeven door de wetgever en niet door de rechter. Beroep gegrond en vernietiging besluit. Het landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mrs. J.H. Keuzenkamp, H.G. Rottier, K.J. Haarhuis
De uitspraak op rechtspraak.nl