Rb. Alkmaar 20 december 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BZ2728
Besluit waarbij het college geweigerd heeft aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting voor, onder meer, het houden van paarden. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bepaalde in art. 4 van de Wav, gelet op de ligging van een tot de veehouderij behorend dierenverblijf in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar gebied, aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder - in afwijking van art. 4 van de Wav – art. 5, lid 1 van de Wav had moeten toepassen. De Rb. overweegt dat als oprichting van een veehouderij in de zin van art. 5 van de Wav (ook) moet worden aangemerkt de situatie waarin een bestaande veehouderij die onder een amvb op grond van art. 8.40 Wm valt, buiten de reikwijdte van die amvb komt te vallen en daardoor (weer) vergunningplichtig wordt (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 836, nr. 3, p. 32). De Wav is op 8 mei 2002 in werking getreden, zodat in deze zaak ter beoordeling voorligt of voor die datum sprake is geweest van het oprichten van een veehouderij, als bedoeld in de Wav, en voorts of die veehouderij, voor zover hier van belang, onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven viel. Is niet aan (een van) die eisen voldaan, dan mist art. 5 van de Wav reeds om die reden toepassing. (…) De Rb. kan om de navolgende reden in het midden laten of er voor 8 mei 2002 daadwerkelijk paarden aanwezig waren in de inrichting van eiseres. Immers, als verweerder wordt gevolgd in zijn stelling, moet worden geoordeeld dat er voor 8 mei 2002 geen sprake was van een feitelijk en juridisch opgerichte veehouderij. Art. 5 van de Wav mist in dat geval toepassing, zodat de omgevingsvergunning in dat geval terecht is geweigerd vanwege het bepaalde in art. 4 van de Wav. Indien de Rb. evenwel eiseres volgt in haar stelling dat er wel bedrijfsmatig paarden werden gehouden voor 8 mei 2002, waarvoor overigens enige aanknopingspunten zijn te vinden in de gedingstukken, komt de Rb. tot het oordeel dat voor 8 mei 2002 geen sprake was van een inrichting die viel onder de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven, als gevolg waarvan evenmin toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in art. 5 van de Wav. De Rb. overweegt daartoe dat ten tijde van belang het uitgangspunt van de Wm was dat een inrichting vergunningplichtig was, tenzij de inrichting onder de werkingssfeer van een amvb viel. Dat kon worden volstaan met het doen van een melding op grond van een amvb, mits de inrichting binnen de reikwijdte daarvan viel, was de uitzondering op de hoofdregel van de vergunningsplicht. (…) In de nota van toelichting bij het Besluit akkerbouwbedrijven (Staatsblad 1994, 107) is ten aanzien van art. 1, lid 1, onder a, het volgende vermeld: “De zinsnede “uitsluitend of in hoofdzaak” betekent dat in de inrichting in beperkte mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden, waarbij met name dient te worden gedacht aan het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Deze activiteiten moeten dan wel plaats vinden binnen de in het eerste lid, onder a, aangegeven grenzen.” In art. 1, lid 1, onder a, sub 1 tot en met 23, van het Besluit akkerbouwbedrijven is een limitatieve opsomming gegeven van het aantal en type dieren dat mag worden gehouden en waarvoor naast het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond ruimte bestaat. In de limitatieve opsomming is het houden van paarden niet genoemd. De Rb. is van oordeel dat er geen ruimte is voor een extensieve uitleg van het bepaalde in het eerste lid van art. 1 van het Besluit akkerbouwbedrijven. Een inrichting waar bedrijfsmatig paarden worden gehouden, kan, nu deze dieren niet zijn genoemd in de opsomming van art. 1, lid 1, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven, naar het oordeel van de Rb. niet onder de werkingssfeer van die amvb vallen, waardoor moet worden teruggevallen op de algemene regel van de vergunningplicht. Voorts acht de Rb. van belang dat, waar het gaat om het houden van paarden, in de toelichting behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven evenmin aanknopingspunten zijn te vinden voor de door eiseres voorgestane extensieve uitleg, nu daarin niet expliciet over het houden van paarden wordt gesproken. Daarnaast volgt uit een tweetal uitspraken van de Afdeling (23 maart 2005 (LJN: AT1983) en 28 januari 2004 (LJN: AO2408)) dat een inrichting waar bedrijfsmatig dieren worden gehouden die niet zijn genoemd in art. 1, lid 1, onder a, van het Besluit akkerbouwbedrijven niet onder de werkingssfeer van die amvb valt. Niet in geschil is dat de inrichting voor 8 mei 2002 (ook) niet onder de werkingssfeer van een andere amvb viel, zodat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van eiseres, destijds al sprake was van een vergunningplichtige inrichting. Gesteld noch gebleken is evenwel dat voor 8 mei 2002 aan eiseres een vergunning op grond van het destijds geldende art. 8.1 van de Wm is verleend, zodat ook in dit geval geen sprake is van een juridisch opgerichte veehouderij. Het feitelijk oprichten en in werking hebben van een veehouderij zonder dat de daartoe vereiste vergunning is aangevraagd of verleend, kan naar het oordeel van de Rb. niet als het oprichten van een veehouderij in de in art. 5, lid 1 van de Wav bedoelde zin worden beschouwd. De Rb. komt gelet hierop niet (meer) toe aan een beoordeling van de vraag of zich een of meer van de situaties als bedoeld in de onderdelen a tot en met f behorende bij het eerste lid van art. 5 van de Wav voordoen. Het voorgaande leidt de Rb. tot de conclusie dat verweerder bij het primaire besluit de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd op grond van art. 4 van de Wav.
De uitspraak op rechtspraak.nl