Rb. Alkmaar 25 augustus 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BT6242
Eiseres is ambtenaar in een voltijds dienstverband. Eiseres is in 2009 gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest. Op grond van artikel 22 van het ARAR is de opbouw van het vakantieverlof na 26 weken stop gezet. Onder verwijzing naar artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG en de daaraan gegeven uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 2009 (arrest Schulz-Hoff) heeft eiseres gesteld dat zij recht heeft op vier weken vakantie met behoud van loon per jaar. Dit recht komt overeen met vier maal 36 uren is 144 uren gegarandeerd vakantieverlof per jaar. Bij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid betekent dit in de visie van eiseres voorts dat alleen voor de gewerkte uren vakantieverlof moet worden opgenomen. De rechtbank leidt uit de tekst en de considerans van de Richtlijn af dat de Europese regelgever heeft beoogd regels te geven inzake de veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd met betrekking tot onder meer de jaarlijkse vakantie. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Richtlijn en de daaraan gegeven uitleg door het Hof slechts een garantie dat, ook in geval van volledige arbeidsongeschiktheid, ten minste vier weken vakantie kan worden genoten met behoud van loon. De door eiseres gegeven uitleg aan de Richtlijn en de daaraan gegeven uitleg door het Hof kan daarom niet worden gevolgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl