Rb. Alkmaar 23 juni 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BN4985
Controle- en opsporingsbevoegdheden Koninklijke Marechaussee. Bij wet van 7 juni 2007, Stb. 230 is het vierde lid van de Politiewet 1993 in relatie tot artikel 141c Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Onder de oude wetgeving – waar zowel de officier van justitie als de raadsman zich kennelijk op heeft beroepen – behelsde artikel 6, vierde lid, van de Politiewet 1993 juncto artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d van de Politiewet 1993 een bevoegdheidsverlening. Onder de nieuwe wetgeving is dit artikel slechts een instructienorm. Met het huidige lid 4 van artikel 6 van de Politiewet is beoogd de opsporingsbevoegdheid van de Koninklijke Marechaussee gelijkt te stellen aan die van de politie, zij het dat daarbij de instructie geldt dat de Koninklijke Marechaussee zich dient te onthouden van optreden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn politietaken, bedoeld in artikel 6, lid 1 van de Politiewet. Bij het overtreden van deze instructienorm kan de rechtmatigheid van het optreden van de militair van de Koninklijke Marechaussee niet meer worden aangevochten. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat het bewijs dat wordt verkregen als gevolg van onbevoegd optreden van de Koninklijke Marechaussee niet mag meewerken tot het bewijs.
De uitspraak op rechtspraak.nl