Rb. Alkmaar 18 februari 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BL6923

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat er slechts sprake kan zijn van vier aanhoudingen binnen een periode van vijf jaar, indien het gaat om aantoonbaar terechte aanhoudingen. In artikel 5, aanhef en onder i, van de Regeling wordt slechts gesproken over vier aanhoudingen op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet binnen een periode van vijf jaar. Uit die tekst kan niet worden afgeleid dat het moet gaan om ‘aantoonbaar terechte aanhoudingen’, nog daargelaten dat niet zonder meer duidelijk is wat daaronder moet worden verstaan. Ten aanzien van de twee betwiste voorvallen overweegt de voorzieningenrechter dat het voornemen van verweerster om in de nog te nemen beslissing op bezwaar op te nemen dat het voorval van 22 mei 2008 een weigering om mee te werken aan een ademanalyse betreft, geen aanleiding geeft om het bestreden besluit te schorsen, aangezien het ook in dat geval ging om een verdenking in de zin van artikel 8, eerste of tweede lid, van de WVW 1994. Ten aanzien van het voorval van 7 december 2009 overweegt de voorzieningenrechter dat uit het proces-verbaal blijkt dat hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, ondanks een vordering om niet meer te gaan rijden in zijn auto is gestapt en de motor heeft gestart. Vervolgens zou verzoeker gas hebben gegeven, zonder verlichting achteruit hebben gereden en zijn auto op een parkeerterrein hebben geparkeerd. De enkele omstandigheid dat verzoeker een andere lezing heeft van het voorval van 7 december 2009 dan is neergelegd in het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van dat voorval levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter, bezien in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling, geen objectieve reden op om aan de juistheid van de in dat proces-verbaal vervatte gegevens te twijfelen. De door verzoeker overgelegde krantenartikelen maken dat niet anders, omdat onduidelijk is wie de bron is voor die berichten en in de berichten bovendien steun kan worden gevonden voor zowel de lezing van verzoeker als die van de politie. Ook de door verzoeker overgelegde schriftelijke verklaring van 19 januari 2010 van een niet nader geïdentificeerde getuige van het voorval is in dit stadium van de procedure onvoldoende om geen doorslaggevende waarde te hechten aan het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van het proces-verbaal van het voorval 7 december 2009 onjuist is, zodat verweerster ook dat voorval als een aanhouding wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of tweede lid, van de WVW 1994 aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen