Rb. Alkmaar 24 juni 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BJ2329
Artikel 44 van de Woningwet strekt ook tot bescherming van de aanvrager van een bouwvergunning. Het relativiteitsvereiste in artikel 6:163 BW staat de aanvrager aan wie onrechtmatig een bouwvergunning is geweigerd dan ook in beginsel niet in de weg bij het vorderen van vergoeding van de schade die hij door die weigering heeft geleden. Eigen schuld van de aanvrager wat betreft een deel van de schade die hij heeft geleden als gevolg van gestegen bouwkosten. Het was aan de aanvrager de informatie te verstrekken die nodig was om vast te stellen dat het bouwplan voor de rijhal in overeenstemming was met het bestemmingsplan. De omstandigheid dat deze niet eerder beschikbaar was, moet geheel aan de aanvrager worden toegerekend. Pas van het eerste besluit tot weigering van de bouwvergunning dat dateert van ná het moment waarop deze informatie is verstrekt, kan worden gezegd dat het heeft bijgedragen aan de vertragingsschade. De vertragingsschade wordt daarom pas vanaf de datum van dat besluit berekend. Schade door gederfde winst. Als gevolg van de onrechtmatige weigering van de bouwvergunning zijn de opbrengsten van de pensionpaarden achtergebleven. Het bestemmingsplan staat de bouw van een rijhal voor pensionpaarden echter niet toe. Deze gestelde schade staat dus niet in zodanig verband met de onrechtmatige besluiten over de bouwvergunning voor een trainingshal ten dienste van en noodzakelijk voor een volwaardige paardenfokkerij, dat deze aan de gemeente kan worden toegerekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl