Rb. Alkmaar 25 februari 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BI1239
Derde komt in verzet tegen beslaglegging maar heeft niet, zoals zij ingevolge het vijfde lid van artikel 438 Rv had moeten doen, de geëxecuteerde gedagvaard. De rechtbank verbindt hieraan geen gevolgen omdat aan de strekking van deze bepaling, namelijk dat de geëxecuteerde in het geding wordt betrokken en desgewenst zijn standpunt kan inbrengen, in dit geval geheel is voldaan. De derde en de geëxecuteerde hebben immers samen en op gelijkluidende gronden de executant gedagvaard en zijn beiden ter zitting verschenen. Tegen een beslissing over kwijtschelding van waterschapsbelasting staat geen beroep open bij de bestuursrechter of, specifiek, de belastingrechter. Dat betekent dat de civiele rechter, als ‘restrechter’, dergelijke beslissingen moet beoordelen. De rechtbank beoordeelt daarom, in het kader van deze verzetprocedure, de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding. De rechtbank concludeert dat er geen grond is om aan te nemen dat deze afwijzing onrechtmatig is
De uitspraak op rechtspraak.nl