Rb. Alkmaar 19 april 2007, ECLI:NL:RBALK:2007:BA5258
De op 11 januari 2007 tijdens de werkintake bij de CWI gedane aanvraag om bijstand is niet overeenkomstig 28, derde lid, van de Wet Suwi in samenhang met artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI (tijdig) doorgezonden aan verweerder. Deze nalatigheid van de CWI komt voor rekening en risico van verweerder. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet SUWI moeten aanvragen om bijstand weliswaar bij de CWI worden ingediend en moet deze organisatie zo veel mogelijk de noodzakelijke gegevens verzamelen, maar is de gemeente uiteindelijk verantwoordelijk voor de besluitvorming, de vaststelling van de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens, en de (verdere) behandeling van de aanvraag (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 588, nr. 3, blz. 81 e.v.). Daarbij wordt er in de memorie van toelichting op gewezen dat de CWI in de aanvraagprocedure geen beslissingsbevoegdheid heeft en dat alleen tegen besluiten van de gemeente in bezwaar en beroep kan worden gegaan. Gelet op deze eindverantwoordelijkheid van de gemeente en mede gezien het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de WWB en artikel 52, eerste lid, van de WWB, kan verzoeker dan ook niet worden tegengeworpen dat de CWI in strijd met de wet zijn aanvraag niet heeft overgedragen aan verweerder. De voorzieningenrechter vindt voor dit oordeel ook steun in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot een vergelijkbaar geval (zie de uitspraak van 28 maart 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AV8586). Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter anders dan verweerder van oordeel dat verzoeker een aanvraag om bijstand en een verzoek om een voorschot heeft gedaan op 11 januari 2007. Op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb had verweerder binnen acht weken een beslissing moeten nemen op deze aanvraag.
De uitspraak op rechtspraak.nl