Rb. Alkmaar 9 maart 2006, ECLI:NL:RBALK:2006:AX1278

Rechtbank vernietigt beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Defensie, waarbij deze zijn eerdere besluit om een zogeheten burgerambtenaar van defensie – werkzaam op het terrein van de Koninklijke Marine te Den Helder - wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van verplaatsing op te leggen, had gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich weliswaar schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, maar moet de aan haar opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing als onevenredig zwaar worden aangemerkt. De rechtbank heeft de Staatssecretaris van Defensie opdracht gegeven om opnieuw op het door eiseres gemaakte bezwaar te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Eiseres heeft zich naar het oordeel van de rechtbank om twee redenen schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zoals bedoeld in artikel 99 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. In de eerste plaats heeft eiseres, destijds werkzaam in de functie van Hoofd Facilitaire Groep, zonder toestemming van het bevoegd gezag een printer, die eigendom was van het Ministerie van Defensie, uit het magazijn gehaald met de bedoeling deze mee naar huis te nemen. In de tweede plaats heeft eiseres geprobeerd om deze printer en een aan haar uitgeleende computer van het terrein van de Koninklijke Marine te Den Helder te vervoeren zonder dat zij over een daarvoor vereist, zogenoemd passeerbiljet beschikte. De rechtbank is van oordeel dat de door de Staatssecretaris van Defensie wegens dit plichtsverzuim aan eiseres opgelegde disciplinaire straf van verplaatsing onevenredig zwaar is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres niet de opzet heeft gehad om de bewuste printer te stelen en dat zij evenmin weloverwogen de regel heeft willen schenden dat men over een passeerbiljet moet beschikken om goederen van het marineterrein te vervoeren. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres afgezien van dit plichtsverzuim en een schriftelijke berisping uit 2002 – waaraan naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet meer dan een gering gewicht mag worden toegekend – een onberispelijke staat van dienst had van bijna vijftien jaren, dat eiseres haar functie naar behoren vervulde en dat de verplaatsing (van Den Helder naar Utrecht) voor eiseres een enorme impact heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank had de Staatssecretaris van Defensie dan ook met een lichtere straf moeten volstaan en is zijn besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens heeft de rechtbank zich in deze uitspraak uitgelaten over de beslissing van de Staatssecretaris van Defensie om geen toepassing te geven aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 88, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie wat betreft de door eiseres verzochte vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De rechtbank heeft die beslissing rechtmatig geoordeeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen