Rb. Alkmaar 23 juni 2005, ECLI:NL:RBALK:2005:AT8139
Op 23 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Alkmaar uitspraak gedaan in het kort geding dat door een drietal eisers tegen de Rabobank was aangespannen. Eisers worden in Nederland strafrechtelijk vervolgd ter zake van de handel in kinderporno en één van hen is wegens dergelijke handel in Brazilië veroordeeld tot een gevangenisstraf van ruim 11 jaar. Eisers hadden gevorderd dat (I) de Rabobank zou worden verplicht de door haar opgezegde bankrelatie met hun voort te zetten en (II) haar zou worden verboden om tot executoriale verkoop van de woning van twee van hen over te gaan. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de Rabobank op grond van een zogeheten “onacceptabel reputatierisico” de bankrelatie met eisers heeft mogen beëindigen, ook al kende de Rabobank de feiten die dit reputatierisico veroorzaakten al langere tijd. De eis tot voortzetting van de bankrelatie heeft de voorzieningenrechter dan ook afgewezen. Wat betreft het gevraagde verbod tot executieverkoop van de woning heeft de voorzieningenrechter overwogen dat aan eisers een redelijke termijn dient te worden gegund om de ten tijde van de opzegging van de bankrelatie met de Rabobank bestaande overeenkomsten af te wikkelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten eisers in staat worden gesteld de voor hen ingrijpende gevolgen van de opzegging zo beperkt mogelijk te houden. Daarbij speelt een rol dat eisers met de opzegging van de bankrelatie geen rekening hebben hoeven houden, omdat de Rabobank al langere tijd met de (aard van de) verdenkingen tegen eisers bekend was. Op straffe van een dwangsom van € 75.000,00 is het de Rabobank verboden om voor 1 januari 2006 tot executie van de woning over te gaan.