Rb. Alkmaar 23 mei 2000, ECLI:NL:RBALK:2000:AA6465
Ten onrechte onderzoek nagelaten omtrent de vraag of (verdere) bezwaring en/of vervangende huisvesting (art. 20 Abw) mogelijk is, beide tegen redelijke voorwaarden. Weigering om eiseres een Abw-uitkering te verstrekken aangezien niet is gebleken dat niet in redelijkheid verlangd kan worden dat zij haar aandeel in de overwaarde van haar woning te gelde maakt. rechbank : Achterliggende gedachte bij de invoering van art. 20 Abw is dat het in de woning gebonden vermogen middelen zijn welke veelal niet kunnen worden gebruikt om in het bestaan te voorzien, tenzij de blh. de woning (verder) bezwaart of te gelde maakt. Aangezien een potentiële kredietverstrekker - voordat hij overgaat tot verstrekking van een hypothecaire geldlening - zowel de overwaarde op de woning als het inkomen van de blh. in ogenschouw zal nemen, zal bezwaring niet altijd mogelijk zijn. Tegeldemaking van de woning om aldus over het in de woning gebonden vermogen te kunnen beschikken impliceert dat vervangende huisvesting mogelijk moet zijn. De rechbank constateert dat uit de redactie van art. 20.1 Abw jo. art. 20.2 Abw volgt dat (ook) sprake kan zijn van de situatie dat tegeldemaking of (verdere) bezwaring van het in de woning gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd - zodat recht op algemene bijstand bestaat - indien het in de woning gebonden vermogen meer dan f 60.000,-- bedraagt. Derhalve is de rechbank van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering dat het in de woning gebonden vermogen van eiseres f 62.729,94 bedraagt, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat tegeldemaking van eiseres kan worden verlangd. Verweerders onderzoekstaak omvat in het kader van de toetsing van een bijstandsaanvraag aan art. 20.1 Abw naar het oordeel van de rechbank in ieder geval een onderzoek naar de vraag of (verdere) bezwaring en/of vervangende huisvesting mogelijk is, beide tegen redelijke voorwaarden. Nu verweerder zo een onderzoek niet heeft verricht dient bestreden besluit vernietigd te worden wegens strijd met artt. 3:2, 3:4 en 3:46 Awb. Beroep gegrond. College van Burgemeester en Wethouders van Den Helder, verweerder. mr. J.L. Roubos
De uitspraak op rechtspraak.nl