Conclusie A-G Bartels 10 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1092

Bonairiaanse zaak. Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheidsrecht. Vordering van erven tot het leeg en in onbezwaarde staat ter beschikking stellen van een perceel dat de rechtsvoorganger van het OLB in 1995 onbevoegd in erfpacht heeft uitgegeven. Erfpachter geen procespartij. Vordering gegrond op art. 6:103 BW (schadevergoeding anders dan in geld) afgewezen. Latere aanvullende vordering tot toekenning van vervangende geldelijke schadevergoeding ((i) waarde grond in onbebouwde en onbezwaarde staat en (ii) winstafdracht geïnde erfpachtcanon) toegewezen, onder de voorwaarde van gelijktijdige overdracht van de eigendom van het perceel aan het OLB. Klachten in cassatie: hof had de vordering van erven moeten aanmerken als vordering ter revindicatie; hof was niet bevoegd om belangenafweging te maken tussen kosten van het ter vrije beschikking stellen van het perceel en belang van erven; hof is buiten de rechtsstrijd getreden met de voorwaarde dat tegenover de schadevergoeding staat dat erven de eigendom moeten overdragen aan het OLB; schending art. 1 Eerste Protocol; overige rechts- en motiveringsklachten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken