Conclusie A-G Hofstee 14 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:528
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering VS. 1. Mocht de uitleveringsrechter de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de VS toestaan, gelet op art. 2 lid 3 onder a en art. 3 van het Uitleveringsverdrag NL-VS op grond waarvan de Nederlandse rechter in gelijksoortige omstandigheden bevoegd moet zijn over het feit waarvoor om uitlevering is verzocht rechtsmacht uit te oefenen? De AG meent van wel mede onder verwijzing naar HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440. Overigens gaat de AG in op de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet die onder meer volgt uit een aantal internationale verdragen, waaronder het Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en dit Verdrag van de Verenigde Naties. 2. Behelst de uitspraak van de rechtbank een genoegzame vermelding van het feit zoals voorgeschreven in art. 28 lid 3 van de Uitleveringswet? De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De uitspraak op rechtspraak.nl