Conclusie A-G Pauwels 10 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:290

Art. 29 en 30 Wet WOZ; art. 2 Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken; art. 7:15 Awb. Is de heffingsambtenaar bevoegd om binnen de bezwaartermijn een vastgestelde WOZ-waarde ambtshalve te verminderen? Moet voor beoordeling of recht bestaat op kostenvergoeding worden uitgegaan van de primair vastgestelde waarde of de waarde na ambtshalve vermindering voordat bezwaar is gemaakt? Proceskostenvergoeding beroep bij dictumfout uitspraak op bezwaar; hoogte wegingsfactor? Deze zaak gaat over de situatie waarin de heffingsambtenaar een nog niet onherroepelijk vaststaande WOZ-waarde ambtshalve vermindert na telefonisch contact met belanghebbende, belanghebbende daarna een bezwaarprocedure start waarbij hij kosten maakt, en de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de WOZ-waarde niet verder verlaagt. De vraag is of in zo’n situatie recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof beantwoordt de vraag ontkennend. Het Hof verwerpt het betoog dat de Heffingsambtenaar niet bevoegd was tot ambtshalve vermindering (oordeel 1). Het Hof oordeelt verder dat aangezien het bestreden besluit als bedoeld in art. 7:15 Awb de WOZ-beschikking is na de ambtshalve vermindering, en dat besluit niet is herroepen, er geen recht bestaat op een kostenvergoeding voor bezwaar (oordeel 2). Het Hof acht het beroep niettemin gegrond omdat de uitspraak op bezwaar een dictumfout bevat. Omdat het beroep slechts om een procedurele reden gegrond is, hanteert het Hof een wegingsfactor 0,25 voor de zaakzwaarte bij de proceskostenvergoeding voor beroep (oordeel 3). A-G Pauwels stelt eerst ambtshalve aan de orde of er wel een belang is bij de beoordeling van het eerste middel tegen oordeel 1. Voor zover in het middel besloten ligt het betoog dat de verminderingsbeschikking non-existent is, is er een belang, maar is het betoog onjuist gelet op het frauduleuze-teruggaaf-arrest. Voor het overige lijkt er geen belang te zijn: de verminderingsbeschikking is onaantastbaar in deze procedure, en los daarvan is er geen rechtens te honoreren procesbelang bij bestrijding van de verminderingsbeschikking. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging niettemin het middel wel inhoudelijk te behandelen teneinde duidelijkheid te scheppen. Na onderzoek van de geschiedenis van de regelgeving inzake ambtshalve vermindering van een WOZ-waarde, concludeert de A-G dat belanghebbende terecht klaagt over ’s Hof duiding van de wetsgeschiedenis. De A-G acht niettemin ’s Hofs oordeel juist dat de heffingsambtenaar bevoegd is een nog niet onherroepelijk vaststaande WOZ-waarde ambtshalve te verminderen. Als HR BNB 2001/56 als uitgangspunt wordt genomen, kan de bevoegdheid worden gebaseerd op art. 29 Wet WOZ. Omdat de A-G echter twijfelt over die basis, werkt hij ook nog uit dat de bevoegdheid kan worden gebaseerd op de leer van de geïmpliceerde bevoegdheid. De A-G meent dat het tweede middel tegen oordeel 2 faalt. Het Hof heeft, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad, terecht tot uitgangspunt genomen dat de verminderingsbeschikking leidt tot wijziging van de primaire WOZ-beschikking zelf. Verder past de benadering van het Hof bij de achtergrond van de kostenvergoedingsregeling die gelegen is in de schadevergoedingsjurisprudentie. Aangezien de onrechtmatigheid reeds was opgeheven door de ambtshalve vermindering, zijn de bezwaarkosten geen schade als gevolg van onrechtmatig handelen. De A-G meent dat het derde middel tegen oordeel 3 terecht erover klaagt dat het Hof een element in aanmerking heeft genomen dat niet relevant is voor de zaakzwaarte. Toch ziet de A-G redenen om niet te casseren. Zo al sprake is van een dictumfout, volgt uit het arrest HR BNB 2022/120 dat er geen belang was bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar en dat het Hof een proceskostenvergoeding zelfs achterwege had kunnen laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken