Conclusie A-G Koopman 10 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1012

WOZ; restwaarde; verdeling bewijslast; Taxatiewijzer. De zaak gaat over het gebruik van Taxatiewijzers als bewijsmiddel bij de waardering voor de Wet WOZ van incourante objecten. Dergelijke objecten worden gewaardeerd volgens de methode van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De Taxatiewijzers worden onder auspiciën van de VNG vastgesteld voor een heel aantal typen van objecten waarvoor geen goede markt bestaat, zoals scholen, kazernes, ziekenhuizen, trein- en busstations, havenkranen enz. In de Taxatiewijzers zijn per archetype kengetallen opgenomen voor onder meer de (bruto) vervangingswaarde, restwaardepercentages en de afschrijvingstermijn. In concreto gaat het in deze zaak om de waardering van een schoolgebouw. Het geschil spitst zich toe op het gebruik van de aan de Taxatiewijzer ontleende restwaardes van de opstallen. Belanghebbende betoogt dat aan de in de Taxatiewijzer vermelde restwaardes geen bewijskracht toekomt omdat zij niet (zichtbaar) zijn onderbouwd. Volgens belanghebbende had het Hof de bewijslast over de juistheid van die restwaardes niet op haar mogen leggen. Na bespreking van de gecorrigeerde vervangingswaarde als waarderingsmethode, de juridische status en de inhoud van de Taxatiewijzers, gaat de A-G eerst in op geautomatiseerde besluitvorming en de black-box-jurisprudentie en vervolgens op het gebruik van deskundigenrapporten in juridische procedures. Bij de bespreking van de middelen doet de A-G de beleidsmaker c.q. wetgever de suggestie te onderzoeken of regels kunnen worden opgesteld aan de hand waarvan de restwaarde op een onderbouwde en verifieerbare manier wordt ontleend aan objectieve (markt)gegevens. Als dat niet mogelijk is, dan is het volgens de A-G misschien tijd de handdoek in de ring te gooien en voor de vaststelling van de correctie wegens technische veroudering de restwaarde van de opstallen als factor te elimineren door die waarde per definitie op nihil te stellen. Verder geeft de A-G de Hoge Raad in overweging te verduidelijken dat de bewijsregel, opgenomen in de slotzin van overweging 2.4.3 van het arrest HR 23 oktober 2020 1 alleen tegen een belanghebbende kan worden ingeroepen als hij de richtsnoeren van die Taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering heeft aanvaard. Voorts betoogt de A-G dat een belanghebbende de richtsnoeren van de Taxatiewijzer pas heeft aanvaard als hij de desbetreffende marktgegevens uit de Taxatiewijzer in algemene zin (dus: op macro niveau) als correct heeft geaccepteerd. Wanneer die belanghebbende vervolgens stelt dat m.b.t. de onroerende zaak iets bijzonders aan de hand is, waardoor in zijn geval niet kan worden aangesloten bij de (op zichzelf onbetwiste) marktgegevens, is het redelijk dat t.a.v. die stelling op hem de bewijslast rust. Maar als hij een in de Taxatiewijzer opgenomen marktgegeven in algemene zin betwist, is het redelijk dat de bewijslast op de heffingsambtenaar blijft rusten. De A-G komt tot de conclusie dat het cassatieberoep moet slagen. Het Hof is ofwel uitgegaan van een verkeerde lezing van hetgeen uw Raad heeft beslist in zijn arrest van 23 oktober 2020, ofwel uitgegaan van het onbegrijpelijke uitgangspunt dat belanghebbende heeft geaccepteerd dat de in de Taxatiewijzers opgenomen restwaardes overeenkomen met de werkelijkheid. 1 HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, ovw. 2.4.3.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken