Conclusie A-G Wattel 10 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:916

Waardebepaling voor de overdrachtsbelasting van een eeuwigdurend erfpachtrecht tegen een canon die ineens vooraf moet worden afgekocht; art. 9(1) en art. 11 WBR; canon slechts rekengrootheid? In werkelijkheid canonvrij eeuwigdurend erfpachtrecht tegen een koopsom? Partijenbedoeling; objectieve uitleg vestigingsakte; fiscale kwalificatie? Feiten: aan de belanghebbenden zijn erfpachtrechten uitgegeven op grond met opstallen door de gemeente Amsterdam. De notariële akten en de daarin geïncorporeerde erfpachtovereenkomsten vermelden dat de jaarlijkse canon € 83.650 bedraagt in de zaak [X1] (en € 76.480 in de zaak van [X2]). De canon is gebaseerd op 2,39% van een erfpachtgrondwaarde ad € 3.500.000 (€ 3.200.000). Op grond van de van toepassing verklaarde Algemene bepalingen en het Grondprijsbeleid van de gemeente waren de belanghebbenden, gegeven de commerciële bestemming van de erfpachtrechten, verplicht om de canon vooraf ineens af te kopen voor de erfpachtgrondwaarde ad € 3.500.000 (€ 3.200.000). In geschil is de maatstaf van heffing van overdrachtsbelasting. De Inspecteur gaat op basis van art. 9 Wet BvR uit van de tegenprestatie, i.e. de afkoopsom ad € 3.500.000 (€ 3.200.000). De belanghebbenden menen dat de heffingsgrondslag € 1.422.050 (€ 1.300.160) bedraagt, nl. 17 maal de jaarlijkse canon ad € 83.650 (€ 76.480), zoals bepaald in de canon-kapitaliseringsregel in art. 11(1) en 11(3) Wet BvR juncto art. 2 Uitvoeringsbesluit BvR en onderdeel c van diens bijlage. De Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van de belanghebbenden ongegrond verklaard omdat het economische resultaat van de erfpachtakten volledig overeenstemt met vestiging van een canonvrij eeuwigdurend erfpachtrecht tegen een eenmalige betaling. De Rechtbank heeft daarom de feiten zelfstandig fiscaalrechtelijk gekwalificeerd en de maatstaf van heffing op basis van art. 9(1) Wet BvR gesteld op € 3.500.000 (€ 3.200.000). Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat niet alleen fiscaalrechtelijk, maar ook civielrechtelijk van een canonvrij eeuwigdurend erfpachtrecht tegen betaling ineens moet worden uitgegaan omdat de periodieke canon genoemd in de akte nooit verschuldigd is geworden en slechts een rekengrootheid is afgeleid uit de grondwaarde. Alsdan komt men – bij gebrek aan een canon - niet toe aan de canonkapitalisatieregel van art. 11 Wet BvR. Het Hof voegt daar kennelijk subsidiair aan toe dat zijn oordeel hetzelfde zou zijn ook als de goederenrechtelijke bedoeling van de partijen niet een canonvrij eeuwigdurend erfpacht zou zijn geweest. Het Hof neemt voor dat geval de overwegingen van de Rechtbank over ter zake van zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten. In cassatie bestrijden de belanghebbenden het oordeel dat geen jaarlijkse canon zou zijn overeengekomen: de erfpachtovereenkomsten vermelden expliciet een jaarlijkse canon die vervolgens bij vooruitbetaling ineens moest worden voldaan en het is niet aan het Hof om een andere, eigen betekenis te geven aan die duidelijke bewoordingen. Verder achten zij de forfaitaire waarderingsregel voor de maatstaf van heffing ex art. 11 Wet BvR geschonden door op grond van fiscale (her)kwalificatie de maatstaf van heffing in weerwil van die regel te stellen op het bedrag waarvoor de canons zijn afgekocht; het is een kenmerk van een forfait dat het afwijkt van de werkelijke waarde. A-G Wattel acht het geenszins onbegrijpelijk dat het Hof de akten, waarin de erfpachtovereenkomsten zijn geïncorporeerd en die de Algemene bepalingen en het Grondprijsbeleid van toepassing verklaren, aldus heeft uitgelegd dat een jaarlijkse canon zoals vermeld in die akten/overeenkomsten rechtens noch feitelijk verschuldigd is geworden en partijen een canonvrij eeuwigdurend erfpachtrecht tegen betaling van de grondwaarde op het oog hadden. Deze uitleg strookt met de uitlegregel gegeven in HR NJ 2001/350, op grond waarvan de partijbedoeling ter zake van notariële akten inzake registergoederen moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen omschrijving van het geleverde/gevestigde, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Met die uitleg komt men inderdaad niet toe aan canonkapitalisatie, want als een canonvrij erfpacht is gevestigd, is er geen canon, zodat art. 11(1) Wet BvR niet kan aangrijpen; die bepaling geldt alleen als wél een canon is overeengekomen. Over het subsidiaire oordeel van het Hof (fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten) merkt de A-G op dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet BvR blijkt dat de maatschappelijke (economische) werkelijkheid uitgangspunt is voor de heffing van overdrachtsbelasting, met name bij beperkte rechten. Die maatschappelijke werkelijkheid is dat de belanghebbenden tegen enkel betaling ineens vooraf van de grondwaarde ad € 3.500.000 (€ 3.200.000) eeuwigdurende erfpachtrechten op die grond hebben verkregen. De veel lagere heffingsgrondslag ad € 1.422.050 (€ 1.300.160) voor de waarde van het erfpachtrecht plus de kapitalisatie van de canon zou impliceren dat het erfpachtrecht zelf geen waarde zou hebben, hetgeen hem onverenigbaar lijkt met de werkelijkheid. Het enorme verschil tussen € 1.422.050 (€ 1.300.160) en de werkelijke tegenprestatie ad € 3.500.000 (€ 3.200.000) lijkt hem onaanvaardbaar in de zin van de rechtspraak over fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten, die dan, op basis van art. 9 Wet BvR, leidt naar een heffingsgrondslag ad € 3.500.000 resp. € 3.200.000 (de tegenprestatie). Conclusie: cassatieberoepen ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken