Conclusie A-G Niessen 31 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:783
A-G Niessen heeft een conclusie genomen over de bewijslast inzake vergrijpboetes naar aanleiding van arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022. Aan belanghebbende is – naar aanleiding van een boekenonderzoek – een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 en gelijktijdig een vergrijpboete opgelegd. Het Hof heeft – kortgezegd – geoordeeld dat de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 mocht opleggen, omdat belanghebbende te kwader trouw was. Het Hof acht het namelijk aannemelijk dat belanghebbende met behulp van een buitenlandse structuur welbewust inkomsten buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden, met het doel om daarover geen belasting te betalen. Het Hof oordeelt voorts dat de Inspecteur belanghebbende terecht opzet verwijt aan het in artikel 67e, eerste lid, AWR, vermelde vergrijp. Belanghebbende komt in cassatie met zeven middelen. De A-G is van mening dat de klachten oordelen van het Hof betreffen die niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk zijn zodat zij niet tot cassatie kunnen leiden. Op de voet van een ambtshalve bijgebracht grond bestaat volgens de A-G evenwel grond voor cassatie. Hoewel belanghebbende in cassatie geen gronden heeft aangevoerd tegen de vergrijpboete, geeft het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022 toch aanleiding om in onderhavige conclusie ambtshalve in te gaan op de door het Hof ter beoordeling van de vergrijpboete aangelegde toets. Nu het Hof in onderhavige zaak ‘slechts’ heeft onderzocht of – en heeft geoordeeld dat – de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende met opzet heeft gehandeld en zodoende niet de in HR BNB 2022/68 geïntroduceerde zware bewijslast van het ‘doen blijken’ heeft gehanteerd, kan dit oordeel van het Hof over de vergrijpboete niet in stand blijven. De A-G concludeert derhalve op ambtshalve bijgebrachte grond tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. De A-G merkt ten overvloede nog op dat de zwaarte van de bewijslast voor navorderingsaanslagen en vergrijpboeten als gevolg van dit arrest dus uiteen loopt. Het komt de A-G voor dat het maken van dit onderscheid niet eenvoudig zal zijn. Denkbaar is dat een rechter die opzet aannemelijk acht en daarom oordeelt dat sprake is van kwade trouw, het lastig zou kunnen vinden om daarnaast tevens te oordelen dat dat bewijs hem (haar) toch niet had overtuigd. Wanneer een gemoedstoestand als ‘opzet’ moet worden bewezen, is een zuiver op objectief waarneembare gegevens berustende bewijsvoering veel moeilijker. De A-G betoogt dat het bewijs van ‘aannemelijkheid’ inhoudt dat een bepaald scenario weliswaar niet zonder meer met ‘harde’ feiten kan worden aangetoond maar daarvoor wel voldoende ‘verankerde’ aanwijzingen bestaan om het voor ‘waar’ te houden, indien er niet een ander scenario aanwezig is waarvoor dat eveneens geldt. Dit betekent dat in dergelijke gevallen het onderscheid tussen aannemelijkheid en overtuigend bewijs niet steeds volstrekt objectief kan worden vastgesteld. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
- Hof Amsterdam 15 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:915
- CBb 23 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1016
- CBb 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:560
- ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:999
- Rb. Noord-Holland 3 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1569
- CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2068
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8092
- HR 26 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2766
- HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160
- HR 5 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH7984
- HR 27 januari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX6839