Conclusie A-G IJzerman 27 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:66
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over een vergrijpboete op grond van artikel 10a van de AWR, wegens het opzettelijk niet tijdig en op de juiste wijze (suppletie-aangifte) hebben gedaan van de mededeling van onvolledige voldoening van omzetbelasting. Kon suppletie ook worden gedaan door vermelding van de omzetbelastingschulden in aangiften vennootschapsbelasting? Inkeerregeling. Pleitbaar standpunt. Het gaat om het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 november 2020, nr. BK-20/00492. Belanghebbende heeft haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 ingediend op 8 juli 2016. Onderdeel van die aangifte is de jaarrekening 2014 waarin een balanspost te betalen omzetbelasting is opgenomen, met als toelichting omzetbelasting suppletie 2014: € 127.219. De aangifte vennootschapsbelasting voor 2015 is gedaan op 20 december 2016. In die aangifte is een bedrag aan verschuldigde en nog te betalen omzetbelasting van € 216.921 opgenomen. Op 5 april 2018 is een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften omzetbelasting over de jaren 2014 en 2015. Op 13 en 16 april 2018 heeft belanghebbende suppleties ingediend op de aangiften omzetbelasting voor 2014 en 2015. Op basis van het opgemaakte controlerapport is de Inspecteur overgegaan tot oplegging van, voor zover in casu van belang, een 50%-vergrijpboete op grond van artikel 10a van de AWR, wegens het opzettelijk althans grofschuldig niet tijdig en op de juiste wijze (suppletie-aangifte) hebben gedaan van de mededeling van onvolledige voldoening van omzetbelasting. Zie voor overige kwesties die spelen de samenhangende zaak 21/01297, met conclusie van heden. Het Hof is gekomen tot het oordeel dat artikel 10a van de AWR in het onderhavige geval geen basis is voor een boete. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende precieze cijfermatige informatie heeft verschaft in haar aangiften vennootschapsbelasting 2014 en 2015, die inhoudt dat nog omzetbelasting verschuldigd is en dat die informatie ook als zodanig is opgevat door de Inspecteur. Daarom kan volgens het Hof redelijkerwijs niet worden volgehouden dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de suppletieverplichting van artikel 10a van de AWR. Het Hof heeft de 10a-boete vernietigd. De Staatssecretaris stelt thans in cassatie dat het Hof de parlementaire geschiedenis van artikel 10a van de AWR en artikel 15 van het UBOB heeft miskend en daardoor uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Staatssecretaris kan geen invulling worden gegeven aan de suppletieverplichting door achteraf te verwijzen naar jaarrekeningen of aangiften vennootschapsbelasting. Ingevolge het eerste lid van artikel 10a van de AWR kunnen belastingplichtigen worden gehouden de inspecteur eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen die hun bekend zijn of zijn geworden. De A-G begrijpt de materiële benadering van het Hof aldus dat aan deze informatieverplichting oftewel suppletieverplichting ook wordt voldaan indien: i) een belastingplichtige informatie heeft verstrekt, ii) die onmiskenbaar inhoudt dat nog omzetbelasting verschuldigd is, en iii) de inspecteur die informatie ook als zodanig heeft opgevat. De A-G merkt daarentegen op dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het in de winstaangifte opnemen van de aan het eind van een boekjaar verschuldigde omzetbelasting in elk geval niet wordt aangemerkt als een suppletie. Ook heeft belanghebbende ten onrechte geen gebruik gemaakt van het voor melding voorgeschreven digitaal formulier suppletie. Een en ander voert de A-G tot de conclusie dat de formele benadering van de Staatssecretaris de juiste is. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. De specifieke regeling van de suppletie-aangifte sluit volgens de A-G de toepassing uit van enige inkeerregeling die daarbuiten bestaat. Dat neemt niet weg dat hier volgens de A-G sprake is van een pleitbaar standpunt, dat als zodanig in de weg staat aan de oplegging van de 10a-boete. Dat doet zich voor als er sprake is van een pleitbare uitleg van het (belasting)recht, als te beoordelen naar objectieve maatstaven. Dat betekent volgens de A-G dat de rechter de aanwezigheid daarvan ook zelf kan vaststellen, zonder dat een belanghebbende daarop een beroep heeft gedaan, waar nodig met aanvulling van rechtsgronden. Volgens de A-G is belanghebbendes materiële benadering van het hebben gedaan van een toereikende suppletie bij de aangifte vennootschapsbelasting als voornoemd, te zien als een rechtens objectief pleitbaar standpunt. Daartoe wijst de A-G op zijn bespreking van het middel en het gegeven dat het Hof de materiële benadering heeft aanvaard. De twee door belanghebbende hier incidenteel voorgestelde middelen worden inhoudelijk besproken in de conclusie van heden in 21/01297 (gegrond). De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 16 Gw
- Artikel 1 Sr
- Artikel 3a AWR
- Artikel 10a AWR
- Artikel 47 AWR
- Artikel 67d AWR
- Artikel 67f AWR
- Artikel 67n AWR
- Artikel 68 AWR
- Artikel 69 AWR
- Artikel 70 AWR
- Artikel 1 Uitv besl OB
- Artikel 3 Uitv besl OB
- Artikel 15 Uitv besl OB
- Artikel 2:14 Awb
- Artikel 5:4 Awb
- Artikel 5:8 Awb
- Artikel 8:42 Awb
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 7 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1351
- Hof Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2803
- Rb. Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3773
- HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2020
- HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:999
- HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:757
- CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:901
- CRvB 9 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4725
- HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420
- HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2232
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885
- CRvB 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9258
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 28 juni 2011, ECLI:NL:XX:2011:BT2901
- HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6283
- ABRvS 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7836
- HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954
- HR 25 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4718