Conclusie A-G Ettema 30 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:646
Wettelijke verschuldigdheid van antidumpingrechten na ongeldigverklaring verordening door HvJ en met terugwerkende kracht opnieuw instellen van de rechten door de Commissie Belanghebbende heeft twee keer aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van schoeisel uit Vietnam en China. Voor dit schoeisel gold destijds een antidumpingrecht en belanghebbende heeft de rechten voor het schoeisel betaald. Belanghebbende heeft verzoeken om terugbetaling ingediend met betrekking tot voormelde aangiften. De verordeningen op grond waarvan belanghebbende de antidumpingrechten verschuldigd was, heeft het Hof van Justitie ten aanzien van bepaalde producenten-exporteurs ongeldig verklaard. Het betreft de producenten-exporteurs die de door belanghebbende ingevoerde goederen hebben geproduceerd. De Commissie heeft ter uitvoering van het arrest de antidumpingprocedure heropend en de douaneautoriteiten bevolen in de tussentijd niet over te gaan tot terugbetaling van de rechten. Na afronding van het onderzoek heeft de Commissie met terugwerkende kracht nieuwe verordeningen vastgesteld waarbij de antidumpingrechten opnieuw zijn ingesteld. In geschil is of de antidumpingrechten wettelijk verschuldigd zijn en of de Inspecteur gehouden was tot terugbetaling over te gaan. A-G Ettema leidt uit de rechtspraak af dat wanneer het Hof van Justitie een verordening waarbij antidumpingrechten zijn ingesteld ongeldig heeft verklaard, een importeur zich bij de nationale rechter op de ongeldigheid kan beroepen als van hem rechten zijn geheven op grond van die verordening en in beginsel recht op terugbetaling heeft van die rechten. Dit is volgens de A-G echter anders in een geval waarbij de Commissie met terugwerkende kracht de antidumpingrechten opnieuw heeft ingesteld. De boeking en mededeling van de douaneschuld die in eerste instantie zijn gedaan, zijn in zo’n geval achteraf bezien juist. Het toekennen van terugwerkende kracht aan de verordening, stelt de Commissie in staat het aan de oorspronkelijke verordening klevende gebrek te herstellen en uitvoering te geven aan het arrest van het Hof van Justitie waarin dit gebrek is geconstateerd. Uit de rechtspraak volgt dat deze handelswijze van de Commissie geoorloofd is en niet in strijd is met het verbod van terugwerkende kracht. De A-G concludeert dat de voorgestelde middelen falen en geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 19 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:57
- HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1144
- HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1875
- Rb. Noord-Holland 27 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:6052
- HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2820
- Rb. Noord-Holland 5 december 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10695
- HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:318
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:628
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:547
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:793
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:469
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:43
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:74
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:187
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:508
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:555
- Gerecht EU, ECLI:EU:T:2021:328