Conclusie A-G Wattel 29 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:638
Spiegelcorrecties omzetbelasting en bijdragen BTW-compensatiefonds; belastingrente en Irimie-rente; belastingrente berekend aan drie gemeenten op terugvordering van door hen genoten BTW-compensatie, terwijl de Inspecteur en de Ontvanger geen rente hebben vergoed op de met die terugvordering correspondeerde omzetbelastingrestitutie aan de BAR (de gemeenschappelijke regeling van die gemeenten). Feiten: De belanghebbenden zijn de gemeenten [X1] (nr. 21/03143), [X2] (nr. 21/03147) en [X3] (nr. 21/03144). Zij hebben sinds 1 januari 2014 een ‘gemeenschappelijke regeling BAR-Organisatie’ (BAR), een samenwerkingsverband. Aan de drie gemeenten is belastingrente in rekening gebracht op de terugvordering van eerder door hen genoten bijdragen uit het BTW-compensatiefonds, terwijl de Inspecteur en de Ontvanger geen rente hebben vergoed op de met die terugvordering correspondeerde teruggave van omzetbelasting aan de BAR. De BAR is ondernemer voor de heffing van de omzetbelasting en zij had in navolging van het - later ingetrokken - standpunt van de Inspecteur omzetbelasting in rekening gebracht over haar prestaties aan de drie gemeenten. Zoals de drie gemeenten hadden betoogd, bleek later echter de koepelvrijstelling van toepassing op de prestaties van de BAR jegens de drie gemeenten. Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, waarin over rente slechts wordt vermeld dat die ‘volgens de wet’ zal worden bepaald, is de ten onrechte geheven omzetbelasting teruggeven aan de BAR (zonder rente, zo bleek) en is de BTW-compensatie teruggevorderd van de drie gemeenten (mét rente, zo bleek). In geschil of aan de belanghebbenden terecht belastingrente tot het in rekening gebrachte bedrag in rekening is gebracht. Het Hof stelde vast dat bij een correctie op de aangifte met gevolgen voor zowel de BTW als de BCF-compensatie de belastingrente niet wordt berekend over het verschil tussen de BTW en de compensatie, maar eerst separaat belastingrente wordt berekend over de eventueel later met elkaar te verrekenen BTW- en BCF-bedragen. De stelling dat eerst de BTW en de BCF-compensatie met elkaar verrekend moeten worden, berust volgens het Hof op verkeerde lezing van art. 9(4) en (5) Wet BCF. Gegeven het Harmonisatiewetarrest, heeft het Hof het standpunt verworpen dat de belastingrenteregeling getoetst moet worden aan het Statuut voor het Koninkrijk. Het Hof acht de handelwijze van de Inspecteur niet onzorgvuldig of anderszins in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verhouding tussen de BAR en de belastingdienst is niet dezelfde financiële verhouding als die tussen de gemeenten en het BTW-compensatiefonds. Het achteraf blijkende nadeel hadden de gemeenten kunnen voorkomen of beperken door een eigen strategie voor de financiële afwikkeling van hun aanspraken op het BCF. Dat hebben zij nagelaten. In cassatie betogen de belanghebbenden dat in casu toetsing aan het Statuut mogelijk is en dat de belastingrenteregeling tot een zeer onredelijk resultaat leidt dat (veel) verder gaat dan nodig voor het doel van die regeling (voorkoming van sparen bij de fiscus). Ook zijn zij van mening dat bij het Hof onbehandeld is gebleven de stelling dat het ontstane rentenadeel in strijd is met de Wet BCF omdat het niet aan de belanghebbenden is te wijten dat terugbetaling van de gecompenseerde BTW (te) lang op zich heeft laten wachten. Hetzelfde Hof Den Haag heeft op 24 maart 2022 in een procedure tussen de BAR en de Ontvanger de laatste veroordeeld tot vergoeding van Irimie-rente aan de BAR op de terugaaaf van in strijd met Unierecht nageheven omzetbelasting. A-G Wattel constateert dat met die inmiddels onherroepelijk geworden Hofuitspraak de strijd met het Unierecht vaststaat en dat de Irimie-rentevergoeding aan de BAR onherroepelijk is, zodat er zijns inziens geen zaak meer is en de cassatieberoepen van de gemeenten ongegrond verklaard moeten worden, wellicht ook bij gebrek aan belang. Gezien de Irimie-rentevergoeding aan de BAR is immers geen sprake meer van onevenredigheid, onredelijkheid of onevenwichtigheid in de verhouding tussen de belastingrenteberekening over de BCF-bijdrageterugvorderingen ten laste van de gemeenten en de invorderingsrentevergoeding ten gunste van hun gemeenschappelijke regeling over de daarmee corresponderende omzetbelastingteruggave. De aan de BAR vergoede Irimie-rente zal weliswaar niet gelijk zijn aan de aan de gemeenten in rekening gebrachte belastingrente, maar het verschil tussen de belastingrente en de Irimie-rente zal op het totaal van de rentebedragen denkelijk niet groot zijn. De A-G meent overigens dat ook als geen Irimie-rente zou zijn vergoed, de beroepen van de gemeenten ongegrond verklaard hadden moeten worden omdat (i) de BAR beter had moeten opletten bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en (ii) de rechter niet in de positie is om de onredelijkheid van een mismatch tussen twee samenhangende, maar verschillende financiële verhoudingen weg te nemen, i.e. de renteverhouding tussen de gemeenten en het Ministerie van Financiën (BCF-bijdragen, gevoed uit het gemeentefonds) en de renteverhouding tussen de belastingdienst en de BAR (omzetbelasting; algemene middelen). Noch de debiteur, noch de crediteur in deze verhoudingen zijn identiek, laat staan hun rechtsverhoudingen. Voor deze drie gemeenten loopt het goed af door de werking van het EU-recht, maar voor alle gevallen die niet onder de werkingssfeer van het EU-recht vallen, blijft de onredelijkheid van de Nederlandse belastingrenteregeling in het oog springen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 24 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:598
- HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89
- Hof Den Haag 10 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1193
- Rb. Gelderland 3 februari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:497
- HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1778
- Rb. Den Haag 30 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12475
- HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1039
- HR 9 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:179
- HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:250
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:267
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:333
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:718
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:378