Conclusie A-G IJzerman 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:245

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of een tussentijds beroep in cassatie tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer van het Hof, ontvankelijk te achten is. Het betreft de beslissing van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2021, nr. 20/00569, ECLI:NL:GHARL:2021:4161. Belanghebbende was aanvankelijk samen met zijn echtgenote woonachtig in [Z]. Volgens de gemeentelijke basisadministratie zijn belanghebbende en zijn echtgenote per 1 juni 2001 geëmigreerd naar [Q], kanton [S], in Zwitserland. Belanghebbendes aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 is conform aangifte per 1 juni 2013 vastgesteld met als verzamelinkomen € 41.000 aan loon uit dienstbetrekking. In januari 2015 heeft de Inspecteur per e-mail een tip ontvangen over belanghebbende. De tip hield in dat belanghebbende (nog steeds) in Nederland woonachtig zou zijn. In de e-mail van de tipgever wordt aangegeven dat belanghebbende helemaal niet woonde in Zwitserland, maar daar slechts een vakantiewoning bezat. Hij zou gewoon in Nederland wonen, en wel op zijn adres in [Z]. Met dagtekening 3 december 2016 is aan belanghebbende als binnenlands belastingplichtige een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 21.365.861, bestaande uit een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van € 21.324.861 plus loon uit dienstbetrekking van € 41.000. Na vergeefs bezwaar tegen die navorderingsaanslag, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. In de procedure bij de Rechtbank heeft de Inspecteur verzocht om geheimhouding en beperkte kennisneming van stukken. De gegevens die de Inspecteur geheim wenst te houden zien op a) de naam van de tipgever en die van een later opgekomen derde die eveneens anoniem wil blijven en aan wie anonimiteit is toegezegd, b) een deel van de verkregen informatie, en c) een dossier van belanghebbende bij een bank. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft het verzoek van de Inspecteur om volledige geheimhouding van de namen en beperkte kennisneming van stukken toegewezen. Volgens de Rechtbank is hier sprake van gewichtige redenen tot beperkte kennisname omdat de privacybelangen van de tipgever en de derde zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende om kennis te nemen van de geanonimiseerde gegevens. Verder heeft de geheimhoudingskamer van de Rechtbank over het dossier van belanghebbende bij de bank geoordeeld dat sprake is van bedrijfsgevoelige informatie en dat het belang van de bank bij geheimhouding zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming. De Rechtbank is in de hoofdzaak gekomen tot het oordeel dat belanghebbende in 2011 in Nederland woonde en heeft daarom het beroep ongegrond verklaard, met handhaving van de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. In hoger beroep heeft de Inspecteur weer verzocht om geheimhouding en beperkte kennisneming van stukken. Evenals de geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft de geheimhoudingskamer van het Hof het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming van stukken toegewezen. Over de identiteit van de tipgever en de derde heeft de geheimhoudingskamer van het Hof overwogen dat de inbreuk op de privacy van de tipgever en de derde, aanzienlijk zwaarder weegt dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van deze personen en de door de derde overgelegde stukken. Belanghebbende heeft de einduitspraak van het Hof niet afgewacht, maar heeft dadelijk beroep in cassatie ingesteld tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer van het Hof, ofschoon de beslissing van het Hof is afgesloten met de standaardmededeling dat tegen tussenbeslissingen als deze slechts kan worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak. Belanghebbende ziet in cassatie weliswaar in dat dit wettelijk zo ligt, maar beroept zich op de doorbrekingsjurisprudentie. Die komt erop neer dat het onder bepaalde en beperkte omstandigheden toch mogelijk is om op te komen tegen beslissingen waarvoor wettelijk een rechtsmiddelen- of appelverbod geldt. In dat verband heeft belanghebbende aangevoerd dat de geheimhoudingskamer buiten het toepassingsgebied is getreden van het beroep op geheimhouding en ook inhoudelijke stellingen al heeft beoordeeld. De A-G komt op grond van de ter zake gewezen civiele en fiscale jurisprudentie en de wetsgeschiedenis tot de conclusie dat hier geen ruimte is voor doorbreking van het wettelijke stelsel voor het kunnen instellen van beroep in cassatie. Voor toepassing van de doorbrekingsjurisprudentie is volgens de A-G geen plaats indien tegen een tussenbeslissing naderhand nog kan worden opgekomen in cassatie tegelijkertijd met beroep in cassatie tegen de einduitspraak van het Hof. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken