Conclusie A-G Ettema 29 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1245

Btw-behandeling van HOVO-cursussen (Hoger Onderwijs voor Ouderen); btw-onderwijsvrijstelling of btw-voordrachtenvrijstelling van toepassing op HOVO-cursussen? Belanghebbende biedt tegen vergoeding zogenoemde HOVO-cursussen aan. Het gaat om (korte) cursussen op het gebied van algemene ontwikkeling, beschouwing (filosofie en religie) en mens en maatschappij. Tot 1 september 2016 konden de HOVO-cursussen vrijgesteld van omzetbelasting worden aangeboden. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de aanbieders na genoemde datum omzetbelasting verschuldigd zijn naar het algemene tarief. De Rechtbank en het Hof oordelen dat het verstrekken van de HOVO-cursussen niet ingevolge de onderwijsvrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel o, 2°, Wet OB juncto artikel 8, lid 1, onderdeel b, Uitv.besl. OB is vrijgesteld van omzetbelasting. Toch kan belanghebbende de cursussen naar het oordeel van het Hof vrijgesteld van omzetbelasting verstrekken, omdat deze diensten onder de voordrachtenvrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel p, Wet OB en artikel 7 Uitv.besch. OB vallen. De Staatssecretaris komt in cassatie en stelt één middel voor dat zich richt tegen het oordeel van het Hof dat de voordrachtenvrijstelling van toepassing is. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De door haar voorgestelde middelen richten zich tegen het oordeel van het Hof dat de onderwijsvrijstelling geen toepassing kan vinden. A-G Ettema behandelt in haar conclusie eerst de vraag onder welke voorwaarden een beroep op de onderwijsvrijstelling mogelijk is. Zij behandelt de totstandkomingsgeschiedenis van de nationale bepaling en concludeert dat de vrijstelling in overeenstemming met de corresponderende richtlijnbepaling moet worden uitgelegd. Voor de HOVO-cursussen betekent dit dat de onderwijsvrijstelling zou kunnen worden toegepast als het gaat om ‘school- of universitair onderwijs’. De A-G leidt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie af dat alleen het onderwijs dat binnen het stelsel van school- of universitair onderwijs van een lidstaat – dat wil zeggen: het onderwijsstelsel met zijn primaire, secundaire en hogere onderwijsniveau – onder bezwarende titel wordt verricht, onder de vrijstelling wordt begrepen. Het Hof heeft in haar optiek een juiste maatstaf aangelegd door te beoordelen of de HOVO-cursussen binnen dat stelsel vallen. De onderwijsvrijstelling kan niet worden toegepast. Wel kunnen de HOVO-cursussen naar haar mening worden geschaard onder ‘voordrachten en dergelijke diensten’ als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel p, Wet OB. Zij behandelt de wetshistorie en concludeert dat deze vrijstelling kan worden gebaseerd op artikel 132, lid 1, onder n), Btw-richtlijn. Zij meent dat het buiten redelijke twijfel is dat “voordrachten en dergelijke diensten (…) die strekken tot bevordering van wetenschap of algemene ontwikkeling” als bedoeld in de Nederlandse wetgeving als culturele diensten in de richtlijnbepaling kunnen worden beschouwd. Bij gebrek aan aanwijzingen voor de uitleg van de woorden ‘voordracht en dergelijke diensten’ in de Wet OB en de totstandkomingsgeschiedenis moet voor de uitleg van die woorden worden aangesloten bij het spraakgebruik, met inachtneming van de context en de doelstelling van de richtlijnbepaling waarop de nationale bepaling is gestoeld, aldus de A-G. Het Hof heeft het begrip ‘voordracht’ gedefinieerd als “het uitspreken van een tekst die voor een publiek ten gehore wordt gebracht”. Dat is naar haar mening een juiste definitie van hetgeen in het spraakgebruik doorgaans wordt verstaan onder een voordracht of lezing. In de voordrachtenvrijstelling worden echter niet alleen ‘voordrachten’ genoemd maar ook ‘en dergelijke diensten’. Die bewoordingen laten in de optiek van de A-G een ruime uitleg toe van de bepaling, zo ruim dat daaronder ook colleges worden verstaan waarbij een meer actieve houding van de deelnemers wordt verwacht of die verplichte onderdelen kennen (voorbereiding, voorkennis, examen). De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en het incidentele beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken