Conclusie A-G IJzerman 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:835

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag in hoeverre recht van successie kan worden nagevorderd van belanghebbende, nu die jaren na het overlijden van erflater alsnog mede-erfgenaam is geworden ingevolge een procedure tot gerechtelijke vaststelling van vaderschap. Het betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 22 december 2020, nr. 19/01732, ECLI:NL:GHAMS:2020:3767. Op 19 augustus 2008 is erflater overleden. In zijn testament is bepaald dat niet afgeweken wordt van de wettelijke regels omtrent erfopvolging en plaatsvervulling, en dat de wettelijke verdeling van toepassing is op de nalatenschap. Op het moment van het overlijden van erflater waren als erfgenamen bekend zijn echtgenote en hun dochter (hierna tezamen: de erfgenamen A). Aan beiden is een aanslag in het recht van successie naar een verkrijging van ieder de helft opgelegd. Rechtbank Amsterdam heeft in een procedure tot vaststelling van vaderschap, bij beschikking van 15 januari 2014, het vaderschap van erflater ten aanzien van belanghebbende vastgesteld. Door die gerechtelijke vaststelling geldt belanghebbende met terugwerkende kracht vanaf de geboorte als kind van erflater. Hierdoor is belanghebbende erfgenaam van erflater en heeft hij uit de nalatenschap een geldvordering op de echtgenote verkregen. De erfgenamen A hebben in verband daarmee de inspecteur verzocht de aan hen opgelegde aanslagen naar een verkrijging van ieder de helft, te verminderen naar een verkrijging van ieder een derde deel in de nalatenschap van erflater. De inspecteur heeft bij verminderingsbeschikkingen van 28 juni 2016 de aanslagen dienovereenkomstig verminderd, leidend tot teruggaven aan de erfgenamen A van in totaal € 175.682. Aan belanghebbende is dienovereenkomstig, eveneens met dagtekening 28 juni 2016, de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, als gebaseerd op artikel 52 van de SW. Het over de in aanmerking genomen belaste verkrijging van € 1.292.009 te betalen recht van successie bedraagt €286.416. Op de sterfdatum had de nalatenschap een waarde van € 3.876.028; een derde deel daarvan is € 1.292.009. De nalatenschap bestond deels uit beleggingen in aandelen die in de periode 2008-2014 door de banken- en kredietcrisis in waarde zijn verminderd. Belanghebbende heeft ter voldoening van zijn vordering ingevolge de nalatenschap, in 2016 totaal een bedrag van € 554.729 ontvangen, uit hoofde van een door de erfgenamen getroffen vaststellingsovereenkomst. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet bevoegd was de navorderingsaanslag op te leggen, althans dat deze moet worden vernietigd, althans verminderd. Het Hof heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag tijdig en terecht met toepassing van artikel 52 van de SW is opgelegd. Het standpunt van belanghebbende dat de navorderingsaanslag naar een te hoge verkrijging is opgelegd, omdat de navorderingsaanslag is gebaseerd op een verkrijging van € 1.292.009, terwijl hij feitelijk slechts € 554.729 heeft verkregen, heeft het Hof verworpen. Volgens het Hof dient voor het bepalen van de grootte van de belaste verkrijging uitgegaan te worden van het moment van het openvallen van de nalatenschap. Het beroep van belanghebbende op het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft het Hof verworpen. Het cassatiemiddel van belanghebbende omvat vier middelonderdelen: 1. De navorderingsaanslag is over het verkeerde tijdvak (2008) opgelegd. Deze had namelijk moeten worden opgelegd over 2014 (vaststelling ouderschap) of 2016 (uitbetaling erfrechtelijke vordering). 2. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, omdat de inspecteur de aanslagen opgelegd aan de erfgenamen A op hun verzoek ambtshalve heeft verminderd buiten de vijfjaarstermijn bedoeld in paragraaf 21, negende lid, van het BFB (tekst 2016) zonder daarbij rekening te houden met de belangen van belanghebbende. 3. Schending van het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat hij na de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van erflater, zijn aandeel in de nalatenschap met de erfgenamen A onderling kon afstemmen. Verder is het vertrouwen geschonden dat ambtshalve verminderingen niet buiten de vijfjaarstermijn worden verleend. 4. Schending van artikel 1 van het EP EVRM, omdat de navorderingsaanslag ten onrechte conform de omvang van de nalatenschap uit 2008 is opgelegd, zonder rekening te houden met latere waardevermindering. De A-G is van mening dat de middelonderdelen alle falen en dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken