Conclusie A-G IJzerman 13 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:822
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de ontvankelijkheid van de bezwaren van belanghebbende tegen de hoogte van de terzake van teruggaaf van BPM te vergoeden rentebedragen en over de vraag of de Nederlandse heffings- en belastingrenteregelingen voldoen aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Het betreft de prejudiciële beslissing van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 januari 2021, nrs. 19/83 t/m 19/87 en 19/143 t/m 19/150 en de vier daarbij prejudicieel aan de Hoge Raad voorgelegde vragen. De A-G adviseert de Hoge Raad die als volgt te beantwoorden. Vraag 1 1a) Staat bezwaar open tegen een rentevergoeding vermeld op een kennisgeving door de inspecteur van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, indien eerder in een rechterlijke uitspraak in een procedure met betrekking tot de voldoening op aangifte reeds is beslist over een rentevergoeding ter zake van die teruggaaf? 1b) Is het voor het antwoord op vraag 1a) relevant of (i) de kennisgeving – al dan niet specifiek ter zake van de rente – melding maakt van een ‘beschikking’ en/of een rechtsmiddelverwijzing bevat en (ii) of de rente die is vermeld op de kennisgeving al dan niet afwijkt van de beslissing over de rente in de rechterlijke uitspraak? Beantwoording Tegen een schriftelijke uitlating van de inspecteur aan een belanghebbende over (het bedrag van) de rentevergoeding die door de belastingrechter is vastgesteld, staat in beginsel geen bezwaar open omdat die uitlating geen besluit is in de zin van art. 1:3 van de Awb (vraag 1a). Dat is slechts anders indien een dergelijke schriftelijke uitlating van de inspecteur afwijkt van de beslissing van de rechter. Schriftelijke uitlatingen wijken af van de rechterlijke beslissing indien zij rechtsgevolgen creëren die niet reeds bestonden als gevolg van die rechterlijke uitspraak (vraag 1b, onderdeel ii). Een daardoor benadeelde belanghebbende kan in bezwaar komen. De door de inspecteur gegeven kwalificatie van de schriftelijke uitlatingen is niet van belang omdat de vereisten voor het aanwezig zijn van een besluit, op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb van openbare orde zijn (vraag 1b, onderdeel i). Vraag 2 2a) Dient de inspecteur een bezwaar dat is gemaakt tegen de op grond van artikel 30ha en 30j van de AWR bij beschikking vastgestelde rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, niet-ontvankelijk te verklaren, indien – vóórdat de uitspraak op dat bezwaar is gedaan – een rechter in de procedure tegen de voldoening op aangifte inmiddels heeft beslist over de hoogte van de rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de AWR ter zake van die teruggaaf? 2b) Is het voor het antwoord op vraag 2a) relevant of de hoogte van de laatstbedoelde rentevergoeding al dan niet afwijkt van de eerstbedoelde rentevergoeding? Beantwoording Een rechterlijke beslissing over de hoogte van de rentevergoeding en een door de inspecteur genomen beschikking inzake die rentevergoeding bestaan in beginsel naast elkaar. Een eerdere rechterlijke beslissing doet derhalve niet zonder meer af aan de ontvankelijkheid van een bezwaar tegen een nadien genomen beschikking. Dit is alleen anders als de rechterlijke beslissing heeft gestrekt tot vernietiging van een eerder genomen beschikking. Een bezwaar tegen een niet (meer) bestaande beschikking is immers niet-ontvankelijk (vraag 2a). Of de hoogte van de rentevergoeding waartoe de rechter heeft beslist afwijkt van de hoogte de van de rentevergoeding op grond van de beschikking is niet relevant voor het antwoord op vraag 2a (vraag 2b). Beantwoording vraag 3 Ter bepaling of in een fiscale procedure sprake is van een rechterlijke beslissing over een belastingrentevergoeding is van belang wat in het dictum van de uitspraak is opgenomen, in samenhang bezien met de in die uitspraak opgenomen rechtsoverwegingen. Dat geen exact bedrag aan rente wordt vermeld in de beslissing staat niet zonder meer in de weg aan een kwalificatie als rechterlijke beslissing over belastingrente. Echter, de rechter heeft geen beslissing genomen over de belastingrente indien niet alle elementen die nodig zijn voor de berekening van die rente zijn opgenomen in de uitspraak. Beantwoording vraag 4 a) De in artikel 30hb van de AWR neergelegde rentevoet en de op grond van artikel 30ha van de AWR geldende enkelvoudige berekening van belastingrente, voldoen niet zonder meer aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. b) Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de uit de Nederlandse regelgeving in een bepaald geval volgende te vergoeden belastingrente, lager is dan de rente welke een belastingplichtige verschuldigd zou zijn om diezelfde bedragen te lenen. In het kader van deze toetsing kan - om dit praktisch uitvoerbaar te houden - ter bepaling van de te hanteren rentevoet, bijvoorbeeld worden aangesloten bij de hoogte van bancaire rente op nieuwe zakelijke kredieten van minder dan € 250.000 zoals die maandelijks wordt gepubliceerd door de Nederlandsche Bank. Aldus geldt dat - bij gebrek aan een algemeen geldende Unierechtelijke regeling met betrekking tot rentevergoedingen - Nederland kan blijven binnen de beoordelingsmarge die toekomt aan de lidstaten bij het invullen van de nationale regeling. c) Als rechtsherstel geboden moet worden kan als uitgangspunt gelden dat aan de belanghebbende een rentevergoeding wordt toegekend die gelijk is aan het bedrag aan rente dat een belastingplichtige zou moeten betalen als hij de teruggaafbedragen had moeten lenen. d) De antwoorden op de voorgaande drie vragen worden niet anders als het gaat om rentevergoedingen op grond van het oude heffingsrenteregime.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 430 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 24a AWR
- Artikel 26 AWR
- Artikel 27f AWR
- Artikel 27ga AWR
- Artikel 30d AWR
- Artikel 30f AWR
- Artikel 30h AWR
- Artikel 30ha AWR
- Artikel 30hb AWR
- Artikel 30j AWR
- Artikel 20a Vpb
- Artikel 20b Vpb
- Artikel 21 Vpb
- Artikel 28c IW
- Artikel 30 IW
- Artikel 6:120 BW6
- Artikel 1:1 Awb
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 4:19 Awb
Aangehaalde uitspraken
- HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:179
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:260
- HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1830
- HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1846
- Hof 's-Hertogenbosch 19 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1845
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3358
- HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:100
- HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1574
- HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084
- Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:13
- HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4654
- HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505
- HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3084
- HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2667
- HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:482
- HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:505
- HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603
- HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3606