Conclusie A-G IJzerman 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:82

In het vierde middel wordt met name opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat wegens ernstige administratieve gebreken de margeregeling en de globalisatieregeling in de omzetbelasting niet kunnen worden toegepast. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende, een vennootschap onder firma, tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:993. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. Daarnaast werden ook sieraden via een website te koop aangeboden. Specifiek voor de heffing van omzetbelasting heeft het Hof overwogen dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de ingevolge de Wet OB geldende administratieve verplichtingen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet OB. Het Hof wijst daartoe met name op de aanwezigheid in de administratie van vervalste of te summier opgemaakte inkoopbonnen, het niet regelmatig bijhouden van kasontvangsten en het niet adequaat administreren van de goederenstroom. Dat heeft tot gevolg dat belanghebbende niet, althans onvoldoende, regelmatig aantekening houdt van (1) de door haar uitgereikte inkoopverklaringen, alsmede van (2) de uitgaven en ontvangsten ter zake van de door haar verrichte leveringen van goederen en verleende diensten. Inzake de margeregeling heeft het Hof geoordeeld dat niet aan de voorwaarden voor toepassing daarvan is voldaan, omdat de administratie onbetrouwbaar is. In dat verband heeft het Hof overwogen dat belanghebbende met betrekking tot het ingekochte sloopgoud en andere ingekochte goederen, haar boekhouding niet op zodanige wijze heeft gevoerd dat aan de hand daarvan het verband tussen inkoop en verkoop kan worden vastgesteld. Reeds daarom heeft belanghebbende volgens het Hof geen recht op toepassing van de marge- en globalisatieregeling. De A-G merkt daarover op dat naast de administratieplicht zoals die is opgenomen in artikel 52 van de AWR, voor de omzetbelasting geldt, op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet OB, dat een ondernemer gehouden is aantekening te houden van de door hem en aan hem verrichte leveringen van goederen. De ondernemer die goederen levert met toepassing van de marge- of globalisatieregeling is tevens gehouden afzonderlijk aantekening te houden van de met toepassing van deze regelingen geleverde goederen. Artikel 31, vijfde lid, van de Uitvoeringsbeschikking OB stelt als voorwaarde dat de wederverkoper die de margeregeling toepast (goederen zijn administratief van inkoop tot verkoop te volgen) zijn boekhouding op zodanige wijze voert dat aan de hand daarvan het verband tussen inkoop en verkoop kan worden vastgesteld. De in- en verkopen van margegoederen moeten dus afzonderlijk worden bijgehouden. Het niet juist of onvolledig administreren van de inkopen en het niet juist bijhouden van kasmutaties heeft het Hof als ernstige tekortkomingen aangemerkt. Het oordeel van het Hof dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling is voldaan als de administratie onbetrouwbaar is, getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk te achten zijn. Specifiek voor de globalisatieregeling heeft het Hof geoordeeld dat de goederen die belanghebbende inkoopt niet staan opgesomd in artikel 4c, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking OB en niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur belanghebbende heeft aangewezen. Dat oordeel acht de A-G juist. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken