Conclusie A-G Niessen 29 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:730
In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van rente voor de eigen woning in de situatie dat zij niet heeft voldaan aan de informatieplicht in de aangifte ter zake van de met haar vader gesloten overeenkomst van geldlening. Kan zij een geslaagd beroep doen op ambtshalve vermindering van een aanslag die onherroepelijk vaststaat, indien zij alsnog de informatie verstrekt? De A-G gaat in op de achtergrond van ambtshalve vermindering uit art. 65 AWR en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Ambtshalve vermindering is ingevoerd bij art. 109 Wet IB 1914. In dat artikel was bepaald dat onjuiste aanslagen door de inspecteur ambtshalve kunnen worden verminderd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat een beroep op de bepaling buiten de bezwaartermijn kon worden gedaan. De Hoge Raad heeft op 8 mei 1931 geoordeeld dat de wet geen beperkingen stelde ten aanzien van de gronden waarop de aanslagen onjuist werden bevonden. Voor de toepassing van de inkomstenbelasting geldt art. 9.6 Wet IB 2001 in plaats van art. 65 AWR. In hoofdzaak beoogt art. 9.6 voortzetting van de regeling dat de inspecteur ambtshalve een onjuiste belastingaanslag vermindert. Het is in principe denkbaar dat ten aanzien van overeenkomstige begrippen interne rechtsvergelijking plaatsvindt. De delegatie van art. 9.6, lid 2, Wet IB 2001 is uitgewerkt in art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De aanhef van dit artikel bepaalt dat de belastingaanslag ambtshalve wordt verminderd wanneer de inspecteur is gebleken dat deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Deze formulering sluit naar de indruk van de A-G herstel van formele fouten uit indien en voor zover deze niet van invloed zijn op de hoogte van de belastingaanslag. Dit terwijl het er bij ambtshalve vermindering juist om gaat dat alsnog de onherroepelijk vastgestelde belastingaanslag in overeenstemming wordt gebracht met de materieel verschuldigde belasting. De A-G meent dat aan de vereisten voor ambtshalve vermindering van de aanslag door belanghebbende is voldaan nu de verzuimde overlegging van documenten bij de aangifte is hersteld door deze bij het verzoek de aanslag IB/PVV 2016 ambtshalve te verminderen over te leggen zodat aan de inspecteur, zoals art. 45aa verlangt, is gebleken dat de aanslag op een te hoog bedrag was vastgesteld. Dit is in overeenstemming met de ratio van de regeling voor ambtshalve vermindering en de wettekst inzake de eigenwoningregeling dwingt niet tot een andere interpretatie. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:597
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7497
- Hof 's-Hertogenbosch 27 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1080
- Rb. Gelderland 11 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5728
- Hof Amsterdam 6 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1782
- HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3565
- HR 8 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1042
- HR 8 mei 1931, ECLI:NL:HR:1931:342