Conclusie A-G IJzerman 25 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:180

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of de kerkenvrijstelling in de verordening op de rioolheffing van de gemeente Loppersum in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving, met als gevolg vernietiging. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 april 2020, nr. 19/00903. Belanghebbende is een woningcorporatie en was in 2014 eigenaar van 680 percelen in de (voormalige) gemeente Loppersum. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 aanslagen in de rioolheffing opgelegd voor een bedrag van in totaal € 208.386. Belanghebbende heeft zich in bezwaar en (hoger) beroep op het standpunt gesteld dat die aanslagen om verschillende redenen ten onrechte zijn opgelegd, maar is daarin niet gevolgd. Het Hof heeft geoordeeld dat: i) Belanghebbende uitsluitend een overschrijding van de opbrengstlimiet met 0,37% aannemelijk heeft gemaakt en dat deze overschrijding dermate marginaal is dat er geen gevolgen aan verbonden worden. ii) De Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor de ongelijke behandeling in de Verordening tussen enerzijds belanghebbende en anderzijds eigenaars van kerkgebouwen die als zodanig onder de kerkenvrijstelling in de Verordening vallen. iii) Belanghebbendes beroep op begunstigend beleid ten behoeve van eigenaars van kerkgebouwen niet slaagt. iv) De Verordening rioolheffing 2014 niet in strijd is met artikel 9 van de Kaderrichtlijn water (KRW). Het beroep in cassatie van belanghebbende is gericht tegen de vier bovengenoemde oordelen. De A-G meent dat alleen de tweede klacht slaagt. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat in de Verordening sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke lagere wet- of regelgeving, omdat in de Verordening ten onrechte zijn vrijgesteld (eigenaars van) ‘eigendommen, uitsluitend dienende tot openbare eredienst of voor bijeenkomsten van genootschappen op geestelijke grondslag, andere dan kerkgenootschappen’. De aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel is volgens de A-G rechtens mede op te vatten als schending in de Verordening van het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod ingevolge artikel 1 van de Grondwet. Rechtbank en Hof hebben weliswaar aan belanghebbende toegegeven dat zowel kerkgebouwen als de woningen van belanghebbende zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering, zodat er in zoverre sprake is van gelijke gevallen, maar er zou een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwijsbaar zijn voor het gemaakte onderscheid. De gezochte rechtvaardigingsgrond zou gelegen zijn in ‘de omstandigheid dat kerken openbaar toegankelijk zijn en het algemeen belang dienen’, terwijl dat niet geldt voor het woningbestand van belanghebbende. De A-G merkt op dat een aangevoerde rechtvaardiging alleen aanvaardbaar is indien die inhoudelijk draagkrachtig is, oftewel: objectief en redelijk te achten is. Dat kan, naar de A-G meent, alleen worden beoordeeld in het kader van de heffing waar het om gaat. De gemeente heeft er in casu, als te doen gebruikelijk, voor gekozen de kosten van de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, door middel van de rioolheffing te verhalen op de eigenaars van de percelen die geacht kunnen worden bij die gemeentetaken baat of profijt te hebben. Bezien vanuit de rioolheffing en het daaraan ten grondslag liggende kostenverhaal, is er geen reden kerkgebouwen vrij te stellen, omdat van daaruit evenveel – zo niet meer – kosten worden opgeroepen als vanuit andere woningen of gebouwen, terwijl het profijt er net zo goed is ten gunste van kerkgebouwen. De A-G ziet geen verband tussen deze heffing en het openbaar zijn van een bepaald (kerk)gebouw of het dienen van het algemeen belang vanuit een bepaald gebouw. Daarom is de aangevoerde rechtvaardigingsgrond zijns inziens niet passend in dit kader en dus niet objectief gerechtvaardigd of redelijk te achten. Overigens geldt volgens de A-G hetzelfde ten aanzien van de in de Verordening opgenomen vrijstelling voor ‘gebouwen, uitsluitend dienende voor onderwijs, waarvoor door de gemeente subsidie of vergoeding wordt verleend’. Er is niet gebleken van de aanwezigheid van documenten waaruit zou kunnen blijken wat de gemeenteraad van Loppersum destijds heeft bewogen om in de Verordening een vrijstelling op te nemen voor kerkgebouwen en bepaalde onderwijsgebouwen. Wat resteert is dat de rechter zelf op zoek kan gaan naar een rechtvaardigingsgrond voor de ongelijke behandeling. De A-G meent echter dat die er niet is. Voorts wijst de A-G erop dat in het kader van exceptieve toetsing gebrekkige motivering van een belastingverordening kan bijdragen tot buiten toepassing laten. De A-G meent dat de hier aanwezige schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke lagere regelgeving, moet leiden tot vernietiging van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken