Conclusie A-G Wattel 8 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1161

Belgische BVO leent in België wonende profvoetballer uit aan Nederlandse BVO; is het vóór uitlening genoten eenmalig tekengeld belast in België of in Nederland? Heffingsbevoegd naar nationaal recht? Toewijzing onder art. 15 of 17 belastingverdrag? Uitleg spelerscontract, uitleenaddendum en uitleenovereenkomst; naheffingstijdvak; genietingsmoment; redelijke termijn van berechting Feiten: de belanghebbende is een in België gevestigde betaald-voetbalorganisatie (BVO). In 2010 heeft zij de bij haar onder contract staande voetballer [A] uitgeleend aan een in Nederland gevestigde BVO. [A] woont in België. Op 30 juli 2010 hebben de belanghebbende en [A] een spelersovereenkomst gesloten die een oudere overeenkomst verving en die hetzelfde salaris en periodieke tekengeld vermeldt als de oude, maar daarnaast € 350.000 eenmalig tekengeld. Op 2 augustus 2010 hebben de belanghebbende en [A] een addendum bij de nieuwe spelersovereenkomst ondertekend dat verwijst naar terbeschikkingstelling van [A] aan de Nederlandse BVO in het seizoen 2010/2011. Op 3 augustus 2010 zijn de belanghebbende en de Nederlandse BVO overeengekomen dat [A] aan de laatste ter beschikking wordt gesteld. In geschil is de belastbaarheid in Nederland van het tekengeld, dat vóór [A]’s uitlening door hem in België is genoten alsmede belanghebbendes inhoudingsplicht ter zake. De Rechtbank Gelderland achtte aannemelijk dat het eenmalig tekengeld is overeengekomen vóórdat vast kwam te staan dat [A] aan de Nederlandse BVO zou worden verhuurd. Art. 15 Verdrag staat dan in de weg aan Nederlandse heffing. Het Hof Arnhem-Leeuwarden achtte daarentegen niet art. 15 maar art. 17 (sporters en artiesten) van toepassing en aannemelijk dat het tekengeld een beloning was voor werkzaamheden die naar verwachting in de contractperiode worden verricht en dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat [A] de rest van het seizoen zou worden verhuurd. Art. 17 wijst het heffingsrecht dan toe aan Nederland, waar de sportprestaties worden verricht. Cassatiemiddelen (belanghebbende): (i) Nederland kan naar nationaal recht niet heffen omdat het eenmalige tekengeld is genoten vóórdat [A] werd uitgeleend en hem is toegekend in het spelerscontract dat de dienstbetrekking in België regelt die geen enkele band met Nederland heeft, terwijl daadwerkelijke uitleen bij aparte en pas latere overeenkomst werd geregeld, die ook de speler moest ondertekenen, zodat het tekengeld uit de eerdere spelersovereenkomst geen verband houdt met die latere uitleen-overeenkomst en dus ook niet met de toekomstige sportprestaties in Nederland die daarin geregeld werden; (ii) niet art. 17, maar art. 15 Verdrag is van toepassing, nu het niet gaat om een kortstondig sportevenement en geen ‘direct link’ bestaat tussen het tekengeld en enig sportevenement; art. 15 wijst toe aan België; (iii) onbegrijpelijk is ‘s Hofs uitleg dat als een speler een spelerscontract ondertekent, hij ook instemt met terbeschikkingstelling aan een andere BVO, nu uit de procestukken blijkt dat dat niet het geval is en dat het eenmalige tekengeld niet zag op uitleen aan een buitenlandse BVO; (iv) het Hof heeft ten onrechte niet van belang geacht dat het naheffingstijdvak (2010) niet het gehele loontijdvak omvat waarop het tekengeld ziet (seizoen 2010/2011); dat naheffingstijdvak verhindert heffing over het tekengeld voor zover het ziet op de periode na 31 december 2010; (v) het Hof heeft de redelijke termijn overschreden; de daardoor ontstane immateriële schade moet worden vergoed. A-G Wattel meent ad (i) dat het Hof de Nederlandse wet niet onjuist heeft uitgelegd. Het Hof heeft feitelijk aannemelijk geacht dat het tekengeld een beloning is voor de persoonlijke sportprestatie die naar verwachting zal worden verricht in de contractperiode. Dat oordeel berust op een aan de feitenrechter voorbehouden beoordeling van feiten en de eveneens aan hem voorbehouden uitleg van de combinatie van de drie contracten. Dat oordeel en die uitleg zijn naar het oordeel van de A-G voldoende gemotiveerd. Middel (i) strandt. Ad (ii) de tekst van art. 17 Verdrag biedt geen steun voor beperking van die bepaling tot enkelvoudige, althans kortstondige optredens van sporters en artiesten, die ook haaks staat op de bedoeling van die bepaling, nl. onverkorte toewijzing van de beloning van artiesten en sporters, in afwijking van art. 7 en art. 15, aan de Staat waar de sportieve of artistieke prestaties worden geleverd, ongeacht de duur van het publieke optreden, ongeacht de duur van de aanwezigheid in die Staat en ongeacht de juridische configuratie waarin dat optreden in de werkstaat zich voltrekt. Het Hof heeft zonder motiveringsgebrek uit de feiten, de combinatie van contracten en de verklaringen van de belanghebbende kunnen afleiden dat dat het geval is. Ook middel (ii) strandt. Ad (iii) bestrijdt volgens de A-G een oordeel dat het Hof niet heeft gegeven. Het Hof heeft niet geoordeeld dat een speler met ondertekening van het spelerscontract ook instemt met uitleen, maar heeft slechts, op basis van de door hem vastgestelde feiten, de combinatie en temporele concentratie van de drie contracten, en de verklaringen van de belanghebbende, aannemelijk geacht dat op 30 juli 2010 al zo goed als zeker was dat [A] uitgeleend zou worden aan [B]. Middel (iii) strandt. Ad (iv) de inhoudingsplicht ontstaat op het moment van genieten. Nu niet in geschil is dat het genietingsmoment in juli 2010 ligt, welke maand geheel wordt omvat door het op de naheffingsaanslag vermelde tijdvak, slaagt middel (iv) niet. Ad (v) de belanghebbende had uiterlijk bij het afzien van de nadere zitting (op 31 maart 2021) om schadevergoeding moeten vragen. Op dat moment was duidelijk dat als het Hof zes weken zou nemen, de tweejaarstermijn zou worden overschreden. Het verzoek kan niet alsnog in cassatie gedaan kan worden. Middel (v) treft geen doel. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken