Conclusie A-G IJzerman 26 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1003
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of belanghebbende, exploitant van de Beverwijkse Bazaar in Beverwijk, vermakelijkheden geeft, zodanig dat aan haar de onderhavige aanslagen in de vermakelijkhedenretributie mochten worden opgelegd. Het betreft het beroep van het College tegen de uitspraken van Gerechtshof Amsterdam van 20 oktober 2020, nr. 19/00534, ECLI:NL:GHAMS:2020:2748 en nr. 19/00535, ECLI:NL:GHAMS:2020:2747. Belanghebbende exploiteert als verhuurder en beheerder de Beverwijkse Bazaar, een warenmarkt in Beverwijk, bestaande uit een samenstel van hallen, waaronder een marktkantoor, en omliggende infrastructuur, zoals wegen en parkeerplaatsen. De Bazaar exploiteert het vastgoed door middel van verhuur aan derden van winkel- en horecaruimten. Het hallencomplex is een grotendeels overdekt winkelcentrum, dat in de weekenden is opengesteld voor publiek. Overigens beheert en onderhoudt belanghebbende de gebouwen en omliggende terreinen en houdt toezicht. Over de jaren 2012 en 2016 heeft de Heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk aan belanghebbende aanslagen in de vermakelijkhedenretributie opgelegd, aangezien belanghebbende in de Beverwijkse Bazaar volgens de Heffingsambtenaar vermakelijkheden geeft. Na vergeefs bezwaar en beroep heeft het Hof de aanslagen vernietigd. Volgens het Hof heeft de Heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zodanige activiteiten organiseerde dat op grond daarvan De Bazaar als vermakelijkheid gekwalificeerd zou kunnen worden. Dit is volgens het Hof niet anders indien ook de door haar huurders georganiseerde activiteiten, zoals het ponyrijden, het trampolinespringen en bepaalde kermisattracties, aan belanghebbende worden toegerekend. Deze met name op het vermaak van kinderen gerichte activiteiten zijn, gerelateerd aan de totale omvang van De Bazaar en het aantal van 1.196.000 bezoekers, dusdanig beperkt in omvang dat zij De Bazaar als geheel niet als een vermakelijkheid doen kwalificeren. Daarbij hecht het Hof er ook belang aan dat de op vermaak gerichte activiteiten slechts op een relatief zeer beperkte oppervlakte van het terrein plaatsvinden. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de door De Bazaar aangeboden activiteiten niet breder zijn dan het enkel verhogen van de belevingswaarde van het winkelen. In cassatie komt het College op tegen die beoordeling van het Hof. De A-G begint met op te merken dat het Hof ter bepaling van het juridische kader waarin de discussie zich hier afspeelt terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat ingevolge artikel 1 van de Verordening 2016 onder een vermakelijkheid wordt verstaan een activiteit, waarbij wordt beoogd of mede beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaften, of waarbij het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden, een en ander in of op daartoe bestemde of geschikte, voor een ieder tegen betaling toegankelijke inrichtingen, terreinen, wateren en dergelijke. Overigens is het de A-G opgevallen dat het Hof de positie van belanghebbende mede heeft getoetst aan door haar huurders georganiseerde activiteiten die zijn toegerekend aan belanghebbende. De A-G betwijfelt echter of een dergelijke toerekening rechtens juist te achten is. De economische activiteit van belanghebbende is, kort gezegd, de exploitatie van haar vastgoed door middel van verhuur aan derden van winkel- en horecaruimten. Als haar huurders zelf initiatieven ontplooien tot de organisatie van bepaalde vermakelijkheden, zou de A-G niet weten waarom die initiatieven zonder meer zouden moeten worden toegerekend aan belanghebbende. In de Hofuitspraak is vastgesteld welke activiteiten op het gebied van de vermakelijkheid hebben plaatsgevonden. Voor belanghebbende zelf resteert zeer weinig: de enige vermakelijkheid die belanghebbende organiseert is – op zondagen – het (tegen betaling) schminken van kinderen. De kinderen betalen € 1 en belanghebbende betaalt de rest. De A-G meent dat het Hof terecht heeft overwogen dat het enkel bieden van gelegenheid om te winkelen en voedsel te nuttigen op zichzelf niet kwalificeert als het geven van vermakelijkheden, ook niet indien honderden ondernemers hun activiteiten, bestaande uit het verkopen van waren en voedsel, uitoefenen in bij elkaar gelegen bedrijfsruimten en hallen en daardoor een aantrekkelijker klimaat voor winkelen en het nuttigen van voedsel wordt gecreëerd. In dat kader merkt de A-G op dat een winkelcomplex in principe niet is zien als een vermaaksinrichting. Dat kan pas anders worden als in het winkelcomplex ook in betekenende mate sprake is van het geven van vermakelijkheden. De op amusement gerichte activiteiten mogen dan niet slechts van ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de hoofdfuncties van het winkelcomplex. Het relatieve belang moet worden gewogen. De door het Hof in dat kader gemaakte feitelijke afwegingen en beoordelingen zijn, naar de A-G meent, niet onbegrijpelijk te achten en lenen zich als zodanig niet voor verdere toetsing in cassatie. Aldus faalt de door het College aangevoerde klacht. De conclusie strekt ertoe dat beide beroepen in cassatie van het College ongegrond dienen te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2747
- Hof Amsterdam 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2748
- Rb. Noord-Holland 5 maart 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1456
- Rb. Noord-Holland 5 maart 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1473
- Conclusie A-G IJZERMAN 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0264
- HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5159
- Hof Amsterdam 3 maart 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5651
- Hof 's-Gravenhage 22 december 1999, ECLI:NL:GHSGR:1999:AS2583