Conclusie A-G IJzerman 26 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:989
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het krachtens huwelijksvoorwaarden aangaan van een beperkte gemeenschap van goederen waaraan de man € 10 miljoen heeft bijgedragen, een schenking van € 5 miljoen aan de vrouw oplevert. Het gaat om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10724. Belanghebbende en haar (aanstaande) echtgenoot zijn bij akte van 1 september 2008 huwelijkse voorwaarden aangegaan. Die komen neer op algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen, met uitzondering van een bepaalde bank- en effectenrekening die gemeenschappelijk vermogen omvat van de beide echtgenoten tezamen. Die bankrekening behelst aldus, naar huwelijksgoederenrecht, een beperkte gemeenschap. Op 22 september 2008 heeft het huwelijk plaatsgevonden. De echtgenoot heeft op of omstreeks 1 september 2008 een bedrag van € 10 miljoen gestort op de bankrekening. In de daarop volgende jaren hebben daarop allerlei mutaties plaatsgevonden. De Inspecteur heeft aan belanghebbende, na het overlijden van haar echtgenoot in 2012, een navorderingsaanslag opgelegd voor het recht van schenking over 2008, naar een belaste verkrijging van € 5 miljoen. Dit is de helft van de stand van de gemeenschappelijke bankrekening nadat daarop door de echtgenoot € 10 miljoen gestort was. Het Hof heeft overwogen dat de echtgenoot civielrechtelijk een vorderingsrecht op de bank heeft verkregen door de storting van een bedrag van € 10 miljoen op de bankrekening. Door het aangaan van het huwelijk zijn de huwelijkse voorwaarden in werking getreden en is een beperkte gemeenschap ontstaan. Het Hof is van oordeel dat uit de huwelijkse voorwaarden niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de echtelieden was om een bedrag van € 10 miljoen blijvend tot de beperkte gemeenschap te laten behoren. Op grond daarvan is het Hof van oordeel dat zolang de beperkte gemeenschap bestaat, niet bekend is wat de echtelieden aan het eind van de huwelijksgoederengemeenschap kunnen verdelen. Daarom kan er ten tijde van het aangaan van het huwelijk geen sprake zijn van een voltooide vermogensverschuiving. Het Hof is daarom van oordeel dat er in 2008 geen schenking van de echtgenoot aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. Tegen die beoordeling is het cassatiemiddel van de Staatssecretaris gericht. Het Hof heeft in zijn motivering twee arresten van de Hoge Raad aangehaald, uit 1959 en 1971. Deze jurisprudentie heeft betrekking op de overgang van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting naar algehele gemeenschap van goederen. De Hoge Raad heeft in die arresten geoordeeld dat het karakter van het huwelijk een schenking dan niet mogelijk maakt. Wat hier beslist is voor de overgang naar een algehele gemeenschap van goederen, moet volgens de A-G ook gelden voor overgang naar een beperkte gemeenschap van goederen. De door de Hoge Raad gegeven ratio om geen schenking aanwezig te achten blijft immers dezelfde. En overigens zou het gevolg, naar de A-G meent, ongerijmd zijn als het aangaan van een relatief kleine beperkte gemeenschap een schenking zou opleveren en het aangaan van een (veel) grotere algehele gemeenschap niet. Het komt de A-G voor dat de uit 1959 en 1971 daterende arresten nog steeds geldend recht zijn. De wetgever heeft deze problematiek namelijk onder ogen gezien, maar tot wetswijziging is het (uiteindelijk) niet gekomen. Ten tijde van het aangaan van het onderhavige huwelijk was niet overeen gekomen welk bedrag op de gemeenschappelijke bankrekening zou worden gestort. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoot aan belanghebbende zou hebben gegarandeerd dat er tenminste € 10 miljoen op de rekening zou blijven staan. Er is dus niet afgesproken welk bedrag op de rekening gestort zou worden en ook niet dat een bepaald bedrag gegarandeerd over zou blijven. Bij ontbreken van een en ander vermag de A-G niet in te zien hoe ten tijde van het aangaan van het huwelijk sprake zou kunnen zijn van een voltooide vermogensverschuiving. De A-G attendeert op de civielrechtelijke, niet-economische, uitgangspunten bij toepassing van de Successiewet. Per gekozen civielrechtelijke vormgeving – waarvoor naast fiscale ook andere redenen kunnen zijn – moet worden nagegaan wat daarvan de gevolgen zijn voor de toepassing van de Successiewet. Dat voert tot de beslissing waartoe het Hof hier gekomen is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10724
- HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1838
- HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504
- Rb. Gelderland 20 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4043
- HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156
- HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0548
- HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636
- HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9239
- HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2504
- HR 13 maart 1981 (Haviltex), ECLI:NL:HR:1981:AG4158
- HR 17 maart 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX5018
- HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786