Conclusie A-G Ettema 17 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:615

A-G Ettema gaat in deze conclusie in op de vraag of het recht van de Europese Unie dwingt de werking van het vertrouwensbeginsel in omzetbelastingzaken te beperken. In het bijzonder gaat het erom of is toegestaan gewekt vertrouwen te honoreren als dit tot een andere uitkomst leidt dan het strikt toepassen van de wet. Daaraan vooraf gaat – vanzelfsprekend – de vraag of het beroep op het (nationaalrechtelijke) vertrouwensbeginsel slaagt, zoals het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in deze zaak heeft geoordeeld. Het geval wil dat belanghebbende in de jaren 2001 tot en met 2005 facturen voor verleende diensten heeft uitgereikt aan twee in Zwitserland gevestigde vennootschappen zonder vermelding van omzetbelasting. Zij heeft in zoverre daarom ook geen omzetbelasting voldaan. De Inspecteur acht dit onjuist, omdat hij meent dat in werkelijkheid een in Nederland gevestigde vennootschap de afnemer is van de diensten die belanghebbende heeft verricht, en heeft daarom nageheven. In bezwaar en beroep is de naheffingsaanslag in stand gebleven. Het hoger beroep van belanghebbende heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch echter gegrond verklaard. Daarbij heeft het gerechtshof in het midden gelaten of belanghebbende bij strikte wetstoepassing al dan niet omzetbelasting is verschuldigd, omdat het van oordeel is dat een beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt. Het vertrouwen is gewekt door een passage in het rapport van een in 2002 bij belanghebbende uitgevoerd boekenonderzoek. Kwade trouw van belanghebbende is daarbij niet aannemelijk geworden. Voorts is volgens het gerechtshof in het recht geen steun te vinden voor de opvatting dat het Unierecht aan het honoreren van gewekt vertrouwen in de weg staat. Het laatste staat overigens in sterk contrast met hetgeen hetzelfde gerechtshof heeft geoordeeld in de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder rolnummer 19/03185, waarin de A-G vandaag eveneens concludeert. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën gaat de A-G in op de vraag of het Unierecht in omzetbelastingzaken tot een mindere mate van bescherming van jegens belastingplichtigen gewekt vertrouwen dwingt dan die welke uit de jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad over het vertrouwensbeginsel voortvloeit. Zij schetst daartoe eerst de verander(en)de opvattingen daaromtrent. Vervolgens gaat de A-G in op het Unierechtelijke beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen, om te bezien of daarvan een zoveel mindere mate van bescherming van gewekt vertrouwen uitgaat dan van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel in fiscale zaken. Naar haar mening is dit niet het geval, al ziet zij ook ruimte voor twijfel. Daarmee wordt de vraag actueel of het Unierecht toestaat belastingplichtigen aanvullende bescherming te bieden op grond van een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel wederom niet vrij van twijfel, beantwoordt de A-G deze vraag bevestigend, onder de voorwaarde dat de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht niet in het gedrang komen. En behoudens in gevallen van staatssteun ziet zij in de genoemde voorwaarde niet zo snel een probleem. Volgens de A-G slaagt het door de staatsecretaris van Financiën voorgestelde middel ten slotte niet voor zover het is gericht tegen het oordeel van het Hof dat naar nationaalrechtelijke maatstaven beoordeeld het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel moet worden gehonoreerd. Daardoor hangt het lot van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën af van het antwoord op de hiervoor besproken vraag. Omdat daarover twijfel kan bestaan, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken